Archief

Week 14-21                                    Meditatie voor Pasen.

                        DE LEVENDE CHRISTUS.

                                         Lezen: 1 Korintiërs 15: 20.

Het klinkt bijna als een jubel van de apostel Paulus. “Maar Christus is werkelijk uit de dood opgewekt, als de eerste van de gestorvenen”. Zó ziet het er dus uit met Pasen en zó staat het er voor met allen die gestorven zijn. Hij de eerste. We gedenken dat deze zondag en maandag met diepe vreugde, ondanks alle beperkingen waarin wij momenteel leven. Maar ook: wij zullen Hem volgen in de opstanding.

Paulus poneert dat als een feit in zijn brief aan de gemeente te Korinthe. Bij Paulus is het dus niet: nu ja, je weet het natuurlijk nooit zeker, maar het zou zomaar kunnen dat wij ook gaan opstaan, omdat Christus is opgestaan. Nee. Dat is niet de toonzetting van 1 Korintiërs 15. Paulus laat er geen enkele twijfel over bestaan!

Dat Christus werd opgewekt, zo zegt hij eerder in dat hoofdstuk, dat was al duidelijk geworden aan Zijn verschijningen aan de vrouwen, de leerlingen, aan de Emmaüsgangers, aan meer dan 500 tegelijk. Door al die verschijningen werd duidelijk dat Christus werkelijk was opgestaan. En op het laatst is Hij ook aan Paulus zélf verschenen, toen hij op weg was naar Damascus. Daaruit blijkt dus allemaal dat het gaat om de levende Christus!

En omdat Hij leeft staat het er voor ons geheel anders voor dan wij op ’t eerste gezicht denken. Want ja, zeg nu zelf, niemand van ons ontkomt aan het sterven.

Maar nee, dat is te krap geformuleerd. Want het is Pasen geworden. En Christus is werkelijk uit de dood opgewekt. En weet u hoe? Als éérste van de gestorvenen.

In Christus ontslapen, stond er boven de rouwkaart van mijn moeder. Meer was niet nodig. En dat klopt: want daarmee zeg je álles over een gelovig mens. Ontslapen. Hier ingeslapen om voor eeuwig wakker te worden bij God. Het is dezelfde uitdrukking die Jezus gebruikt bij het sterven van Zijn vriend Lazarus en bij het sterven van het dochtertje van Jaïrus – het kind is niet gestorven, het slaapt -, zegt Jezus dan. Ja, slapend kom ik bij U thuis, o Heer. En op slapen, volgt ontwaken.

Ik weet het maar al te goed: nu moeten wij nog steeds de gang naar het kerkhof maken. Maar straks als Jezus terugkomt, dan zullen de graven openbreken en vangt de mensenstroom aan, zingt Gez. 300 ons voor.

Onbegrijpelijk, denkt u misschien. Ja, dat snap ik. Daar raakt een mens namelijk niet over uitgedacht en uitgezongen. Want wát een dag zal dát zijn!
Ds. H. Dekker.

Lied van de week: Gez. 215

 

Meditatie voor de Goede Vrijdag.

Week 13-21                                                             Lezen: Psalm 22.

 

De 22e Psalm die we lezen en overdenken is vanouds de Psalm die in verbinding wordt gebracht met de kruisdood van Christus. Maar, zult u zich wellicht afvragen: moet je deze psalm dan niet allereerst gewoon lezen als een psalm van David?

Nu, ik denk dat de klacht waar deze psalm mee begint: “Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten” inderdaad allereerst gelezen mag worden als een klacht van de dichter David. Maar deze klacht is door de eeuwen heen verstaan als klacht van de lijdende Christus, omdat Hij deze woorden citeerde aan het kruis. En als klacht van het Joodse volk. Dat volk, dat telkens weer door de diepste diepten gaat. Dat volk, dat op de trein werd gezet naar Auschwitz. En zo resoneert deze klacht aan het begin van Psalm 22 de hele geschiedenis door.

Nog dichterbij mogen we deze klacht halen. Want ook onder onze lezers zijn er ongetwijfeld mensen die momenten in hun leven meemaakten waarop ze dachten: waar is God nu? Ik heb Hem nodig, maar ik ervaar Hem niet. Is dat niet de brede ervaring die we delen met de dichter David? En wat is dan de levenskunst, of moet ik zeggen: de kunst van het geloven? Dit: dat we ook in het lijden, ook in de zwartste ervaring in ons leven, tóch blijven geloven dat we vastgehouden worden. Dat we in de handen van God zijn. Het kán toch niet zo zijn dat God er écht niet is? Nee. We blijven altijd en onder alle omstandigheden binnen de band van Gods liefde en trouw. Ook al voelen en ervaren we dat lang niet altijd. Toch is het zo. Want God heeft het beloofd! U mag gerust tegen God zeggen: Heer, ik snap er niets van. En u mag zeggen: Heer, waar bent U nu? Zeker mag dat. Want Christus zelf bad immers deze woorden! Dat past dus in de omgang met God in moeilijke levensomstandigheden.

Maar het is wel een dieptepunt ervaring in je omgang met God. Zeker.

Hóe diep kan het gaan? Laten we dan toch vooral in deze lijdensweken kijken naar de lijdende Christus. Hij pakt deze Psalmwoorden als het ware over voor ons. Christus kwam als mens naar deze wereld. En als Hij dan in het diepste lijden terecht komt dat je maar bedenken kunt, grijpt Hij terug naar de Psalmen. Daarom: wanhoop niet. Leg uw lijden dat u nu misschien meemaakt maar op Hem. Want Hij zal voor u blijven zorgen. U blijft altijd in Gods Vaderhand. Omdat Christus voor ons stierf aan het kruis. En daarom kan nu zelfs de dood ons niet meer van God losmaken. Dat is Goede Vrijdag én Pasen. In de hemel zal het “Mijn God, mijn God, waarom…”nooit meer klinken. Want daar zullen we voor altijd bij Hem zijn en Hij bij ons.

Ds. H. Dekker.

Lied van de week: Gez. 187                                    

 

Week 12-21                                                        Lezen: Marcus 10: 32-45

Opnieuw verplaatst Marcus onze aandacht naar het hoofddoel. Het gaat om de weg van de Middelaar van de berg van de verheerlijking naar Jeruzalem. Opvallend is dat Marcus zegt: ‘Jezus liep voor hen uit.’(vs. 32). Hij gaat dus voorop. Zijn volgelingen lopen blijkbaar zo hard niet. Zijn ze bang voor wat er komen gaat? Of hebben ze onbestemde voorgevoelens omdat ze nog helemaal niet begrijpen wat Jezus hen onderwees? De vraag stellen is haar beantwoorden. Wij, die achter de gebeurtenissen staan weten dat ze pas ná Pasen de volle werkelijkheid van dit alles begrijpen. Jezus wist wat er zou gaan gebeuren. Zijn leerlingen nog niet. En ook wij kunnen niet in de toekomst kijken. Meer dan ooit beseffen wij dat, nu we in ons land en wereldwijd in een gezondheidscrisis zitten. Vaccineren zal verlichting bieden, maar zolang ook ná het vaccineren corona onder ons blijft als pandemie is het leven en de toekomst onzeker. En niet alleen daarom, dat begrijpt u wel. Wat hebben wij het dan nodig om ons leven af te stemmen op het Woord van God.

Jezus gaat Zijn weg naar Jeruzalem. En Hij doet dat om ons te dienen. Nu kun je natuurlijk zeggen: heel Zijn leven was dienen. Dat is waar. Maar in het bijzonder in deze lijdensweken denken we aan Zijn dienen in de weg van lijden en sterven. Op Golgota vloeit Zijn bloed als een losprijs voor velen. (vs. 45). Losgeld, zegt de NBV. En voor de betekenis van dat woord moeten we denken aan soldaten die krijgsgevangen gemaakt waren in de oorlog. Die krijgsgevangenen moesten door hun koning teruggekocht worden van de vijand. Jezus kocht ons vrij met Zijn offer aan het kruis uit de macht van de vijand: de wereld van zonde en schuld. De allerhoogste prijs moest daarvoor betaald worden. En we mogen geloven: ook voor mij, ook voor u en jou heeft Hij betaald. Zodat wij vrijgesproken mensen mogen zijn.

En daarom zeggen en zingen we in deze lijdensweken:
Dank zij U, o Heer des levens,
die de dood zijt doorgegaan,
die Uzelf ons hebt gegeven
ons in alles bijgestaan,
dank voor wat Gij hebt geleden,
in Uw kruis is onze vrede.
Voor Uw angst en diepe pijn
wil ik eeuwig dankbaar zijn. 

(Gezang 182, vers 6)

 

Ds. H. Dekker.

 

Week 11-21                                Meditatie: De laatste vijand   Lezen: 1 Korintiërs 15: 26.

Een vijand is iemand die je naar het leven staat. En zo kun je de dood wel typeren. Zeker, wij kunnen hem een paar keer te slim af zijn in onze dagen, dankzij de medische wetenschap, maar…hij wint uiteindelijk toch van ons allemaal. Wij stoppen de dood het liefste weg en denken: zover is het nog niet. Maar hij is een grillige vijand en kan zomaar toeslaan, van het ene op het andere moment. Het woord “vijand” dat Paulus gebruikt in 1 Korinthe 15, wijst er op dat de dood er oorspronkelijk niet bij hoort. De dood is niet door God geschapen, zogezegd. En daarom zal hij zijn gruwelijke heerschappij over ons mensen niet voor eeuwig kunnen behouden. Goddank niet! Die heerschappij zal hem namelijk worden ontnomen. Jezus Christus heeft dankzij Zijn offerdood die we in deze lijdensweken opnieuw overdenken, het laatste woord. Maar de dood is wel de láátste vijand die onttroond wordt.

Toch is dat gewéldig nieuws. En het verrassende van Jezus dood is: onze vijand is ook Zijn vijand! Hij heeft die vijand recht in de ogen gekeken op de kruisheuvel van Golgota. Maar Hij overwon hem met Pasen. Het geloof dat die laatste vijand onttroond is door Christus als eersteling en dat hem straks de definitieve genadeslag wordt toegebracht “eens als de bazuinen klinken” (Gez. 300), houdt mij op de been. Misschien denkt u: dat slaat nergens op dominee. In mijn ochtendkrant lees ik iedere morgen weer de rouwadvertenties.

U zou gelijk hebben als ik Hem niet ontmoet had in mijn leven, die de laatste vijand in de ogen heeft gekeken. Voor Hem moet de dood uiteindelijk terugtreden. Zó zal het gaan!

Laat ik het nog anders mogen zeggen in deze meditatie. Het geloof in een leven na de dood is niet een aanhangsel waar mensen in kunnen geloven die een heel sterk geloof hebben. Een soort droomwens. Nee. Het is het verwonderde ontmoeten van Hem, die onze grootste vijand aankan.

Zeker, ik weet het maar al te goed: nóg heeft onze laatste vijand ontstellende macht. En hij frustreert dagelijks Gods bedoelingen met deze wereld. Daarom is de dood ook Zijn vijand!

Maar Zijn macht stijgt bóven de dood uit. Zó steekt het in elkaar.

En dáárom is het geloof zo’n geweldige krachtbron in het leven van heel veel mensen.

Aan de andere kant van de dood word ik opgevangen en kán ik niet meer doodgaan. Want aan die andere kant is leven tot in alle eeuwigheid.

Ds. H. Dekker.

Lied van de week: Gez. 300: 1, 2

 

Week 10-21                                             Lezen: Marcus 9: 14-37

Vorige week stonden we in de meditatie met Jezus, Petrus, Johannes en Jakobus boven op de berg van de verheerlijking. Maar vandaag lezen we over de harde werkelijkheid die ze weer tegenkomen als ze van de berg zijn afgedaald. Ach, wij herkennen dat wel. Momenten van verrukking over de nabijheid van Christus kunnen zo maar weer wreed verstoord worden door de harde werkelijkheid van alledag.

De omstandigheden van de zieke jongen die we ontmoeten in de Schriftlezing vormen slechts de achtergrond van een ernstiger aangelegenheid. Want opeens staat Jezus weer temidden van het ongeloof. Hier zien we duidelijk de tegenstelling tussen het ongeloof en het volkomen geloof waarvoor Hij leefde. Erger dan de zware vorm van ziekte die we hier tegenkomen is het feit dat het hele volk wel ‘ziek’ lijkt van ongeloof. Jezus ontziet het ongeloof niet, maar legt het in zijn diepte bloot en beschaamt het door het aan het licht te brengen. ‘Hoe lang moet Ik jullie nog verdragen’, horen we Jezus zeggen. Daarin klinkt Zijn liefde door. Maar ook: een waarschuwing. ‘Nog heden, hoort Zijn stem die zweert: laat niet uw hart zich onbekeerd’ (Ps. 95:4).

Van de berg van de verheerlijking gaat de weg vervolgens verder, lezen we dan in het vervolg van Markus 9 (vanaf vers 30). Jezus zet daar Zijn onderwijs over het lijden voort. Duidelijk is, dat Hij op doorreis door Galilea gaat. Hij kwam vandaar, maar waarheen gaat Hij? Dat mag nu nog niet bekend worden staat er met zoveel woorden in vs. 30, maar Marcus legt er alle nadruk op dat Jezus niet vrij is in het kiezen van tijden en routes. Er wordt op Hem gewacht: de overlevering is op handen. De leerlingen van de Heiland weten het allemaal nog niet. Ze hebben er nog geen vermoeden van wat er allemaal gaat gebeuren. Zó dicht bij Jezus en toch zo onkundig. Voortdurend lijkt het erop of Jezus en Zijn leerlingen op twee verschillende golflengten spreken. Onkunde, schreef ik zojuist. Maar Jezus gaat onafgebroken voort om te corrigeren en Zijn leerlingen te bekeren. Zij denken nog steeds aan een triomftocht. Maar Jezus ziet Zijn lijdensweg voor zich.

 

Jac. Lelsz dichtte: Gij wordt voor mij gekruisigd, Heer,
                           maar, wonder, Gij biedt geen verweer.
                           O schennis, die U wedervaart,
                           geen leed om mij wordt U bespaard.

Ds. H. Dekker.

 Lied van de week: Ps. 95: 1, 3, 4.        

 

Week 9-21                                        Lezen: Marcus 9: 2-13

Op de kerkelijke kalender zijn de lijdensweken begonnen. De periode van concentratie op het lijden van onze Heiland tijdens Zijn omwandeling op aarde.  Niet alleen in die laatste dagen voorafgaande aan de Goede Vrijdag. Dat vergeten we wel eens. Heel Zijn leven was lijden, belijden wij. Om ons te bevrijden. Om onze schuld te verzoenen.

Op die lijdensweg heeft Hij bemoediging nodig. Dát is nu precies de bedoeling van de verheerlijking op de berg, waarover wij lezen in de Schriftlezing die bij deze meditatie hoort.

Drie leerlingen mogen met Hem mee de berg op. Niet als toeschouwers, zoals je misschien in eerste instantie zou denken. Nee, ze gaan mee als hoofdpersonen. Dat kan niet toevallig zijn. Jezus brengt hen voor het aangezicht van Zijn Vader. Met hun rug naar de aarde kunnen ze alleen nog maar oog in oog met God komen te staan.

Wat moesten die drie leerlingen dan zien van God? Allereerst Mozes en Elia, die in overleg treden met Jezus. Zijn aardse leven komt in een eindfase. Hij gaat Zijn lijden in Jeruzalem tegemoet. En daarom vindt de Hemel het belangrijk met Hem te beraadslagen. Nee, het lijdensevangelie is geen vergissing, zoals Petrus dacht (Marcus 8: 32), maar hemels belang! Het brengt dat wat bij Mozes en Elia nog ontbrak.

Zij treden weer terug (vs. 7) en de heerlijkheid van de hemel wijkt. Nee Petrus, dit moment kun je niet vasthouden en mag je ook niet vasthouden. Wat blijft nu voor Petrus, Johannes en Jakobus over? Niets, dan Jezus alleen (vs. 8). Hij moet hun alles worden, ook en juist in Zijn lijden en sterven. Nu kan het luisteren naar Hem echt beginnen. Hij is de Christus, de geliefde Zoon. Bij Hem moeten ze dus zijn.

Misschien verwacht u veel van allerlei zaken en mensen in uw leven. Laat dan vandaag de boodschap vanuit deze meditatie voor u mogen zijn: Jezus alleen! Wanneer wij Hem goed in het oog houden mogen we gesterkt en bemoedigd verder gaan. Dan zijn we nooit alleen, onder welke omstandigheden dan ook.

Gabriël Smit dichtte:
Gij zijt in glans verschenen,
verschenen voor altijd.
Hoe bitter ook de pijnen
door ons U aangedaan,
Gij blijft in glans verschijnen,
ziet ons in glorie aan.

Ds. H. Dekker.

 

Week 8-21                                           Lezen: Johannes 1: 14-18

Nog een keer staan we in de weekmeditatie stil bij Johannes de Doper. Zijn optreden had zeer grote indruk gemaakt op het volk. Het was 400 jaar geleden dat de laatste profeet optrad: Maleachi. Traditie en rituelen beheersten het godsdienstig leven sindsdien. Dan komt er na al die jaren eindelijk weer eens iemand, die de gevestigde orde in kerk en maatschappij op haar fundamenten doet trillen. Schokkend, maar ook hoopgevend. Er zal verlossing komen.

Toch vestigt deze profeet niet de aandacht op zichzelf. Ik ben de Verlosser niet, zegt hij. Ik ben slechts een mens van vlees en bloed. De Verlosser is de eeuwige Zoon van God die mens werd. Hij was er al eerder dan ik. En Hij zal jullie verlossen. Nu, wij die zoveel eeuwen later leven weten dat deze Verlosser Zijn werk op aarde volbracht heeft. Aan het kruis schonk Hij ons vergeving van zonden en eeuwig leven. We herdenken het allemaal weer in deze lijdensweken voorafgaande aan de Goede Vrijdag en Pasen. Wat een genade is ons in Jezus Christus geschonken. En nog steeds mogen wij putten uit de volle zee van Zijn rijkdommen: vernieuwing van je leven, kracht om verdriet te dragen, moed om te getuigen, uitzicht op de nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Allemaal geschenken die uit Hem naar ons toe vloeien. Wat een rijkdom! Uit Zijn overvloed zijn wij allen met goedheid overstelpt, lezen we in onze Schriftlezing die bij deze meditatie hoort.

Hebben de Joden van toen dat begrepen? U weet het antwoord daarop wel, naar ik meen. In de gesprekken tussen Jezus en de wetgeleerden komt dat duidelijk naar voren. Jezus wil laten zien (en daar moet u aan denken bij het lezen van vs. 17 uit onze Schriftlezing) dat Mozes en zijn wet hun diepste vervulling krijgen in Jezus en Zijn evangelie. De genade en waarheid waar Mozes van sprak zijn dus werkelijkheid/waarheid geworden in de menswording van Jezus Christus.

Daarover gaat het ook vandaag in de ontmoeting tussen Joden en christenen. Dat gesprek over en weer is soms moeilijk, vooral omdat christenen de eeuwen door vaak ongenadig en onbetrouwbaar waren voor Joden. U zult ongetwijfeld gehoord, gelezen of gezien hebben in het journaal de diepe spijtbetuiging namens de PKN over het leed dat Joden werd aangedaan in WO II. Christenen hebben vaak een voortreffelijke rol gespeeld in het verbergen van Joden, zeker. En onder de verzetsmensen waren vele christenen. Maar ook waren er christenen die meehielpen bij deportaties en verraad. Met diepe schaamte moeten we dat erkennen.

Ds. H. Dekker.

 

Lied van de week: Gez. 186: 6, 11.

 

Week 7-21                           Lezen: Filippenzen 2: 5-11 en Johannes 1: 14

De evangelist Johannes geeft een geheel eigen beschrijving van het gebeuren rondom Kerst. Nee, bij hem geen tafereeltje met een stal en herders. Slecht één enkele zin: ‘Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond.’ God die mens werd. Dat betekende voor Hem een onvoorstelbare stap naar beneden. Niet te bevatten voor ons verstand. Want het zit ons mensen in het bloed om een stapje hogerop te willen klimmen. Een stap terug doen we alleen noodgedwongen. En je ziet in deze coronatijd hoe bang mensen daarvoor zijn. Nee, dat willen we niet. Dan gaan we protesteren. Dan willen we actie van de regering. Dan…nu, vult u maar in. Wie de krant leest en het journaal kijkt, zal het kunnen beamen.

Maar God werd door niets en door niemand gedwongen een stap terug te doen. Hij deed het vrijwillig. We lezen dat zo mooi in onze Schriftlezing uit Filippenzen 2. Wat dreef Hem om die stap vrijwillig te zetten? Onbegrijpelijke liefde, zou ik zeggen. Zó lief had Hij ons. Zó lief, dat Hij letterlijk in onze huid wilde kruipen. Nooit zal iemand kunnen zeggen dat God Zich onze nood/verdriet/pijn niet aantrekt.

Nu mogen wij ons koesteren in de liefde van de Vader. We kunnen Jezus nooit genoeg dankbaar zijn, dat Hij naar deze aarde kwam. En Hij kwam niet maar even, zoals een toerist Drenthe kan bezoeken voor een paar dagen. Nee, zegt Johannes in vers 14: Hij heeft bij ons gewóónd. Hij had dus een adres. Daar en daar in die en die straat in Kapernaüm kon je Hem vinden. Ook Matteüs legt daar nadruk op in zijn evangelie. Hoort u maar Matteüs 4: 13 ‘Hij liet Nazaret achter zich en ging wonen in Kapernaüm, aan het meer van Galiléa.’

Van daaruit trekt Hij dan rond, goeddoende. Blinden worden weer ziende, lammen lopen, doven horen weer en doden worden opgewekt. Allemaal tekenen van Zijn Koninkrijk in die drie jaar van omwandeling op deze aarde. Voor het woord wonen in Johannes 1: 14 staat in het Grieks (de oorspronkelijke taal van het N.T.) letterlijk: tabernakelen. Toen God mens werd in de persoon van Jezus was dat iets heel nieuws. Zó had God nog nooit onder de mensen gewoond. Maar toch was het niet iets totaal vreemds, iets wat helemaal niet bij God zou passen. Nee. Dat wist het oude Israël al, zie Exodus 25: 8.

Ds. H. Dekker.

 Lied van de week: Gez. 147.

 

Week 6-21                                                               Lezen: Johannes 1: 19-28

 

Johannes. Zijn naam betekent: de Heer is genadig. Zijn geboorte luidt een nieuwe periode in, de periode van Messias Jezus. Het volk, dat in duisternis zat, ziet een groot licht. Johannes is getuige en voorbode van dat Licht. Daarom moest Zacharias hem zó noemen en niet anders. Zijn naam is een preek op zichzelf. De grote wending in de geschiedenis, de komst van de Messias is niet aan mensen te danken, maar aan de Heer die ons genadig is. Dat geeft hoop, ook voor ons in de wereld van vandaag. Genade, dat is de liefdevolle toewending van God naar ons mensen, zonder dat wij het verdiend hebben. Johannes. Die naam mag ons als muziek in de oren klinken.

Nu schijnen er in de vroeg christelijke kerk mensen geweest te zijn, die Johannes vereerden als de Messias zelf. Ze waren zo getroffen door wat hij vertelde, dat ze verzuimden tot Jezus te gaan. Terwijl dat laatste nu juist Johannes bedoeling was. Johannes laat heel duidelijk weten in onze Schriftlezing dat hij het Licht niet is. Hij wijst van zichzelf af naar Hem die ná hem komt. ‘Ik ben het niet eens waard’, zegt Johannes, ‘om de riemen van zijn sandalen los te maken.’ En er zijn ook vandaag mensen die te afhankelijk blijven van de voorganger, door wiens bediening zij tot geloof kwamen. En er zijn voorgangers, die zichzelf teveel in het middelpunt plaatsen. Zo roepen ze die afhankelijkheid op. Maar slechts één persoon hoort in het middelpunt te staan: Jezus. Alle getuigen zijn slechts instrument, want God heeft ervoor gekozen het evangelie aan ons te laten weten door heel gewone mensen. Het gaat er dus om dat wij Jezus zullen aanvaarden als onze Heer en Heiland. Hoe doe je dat dan? Dat doe je door in Zijn naam te geloven, zegt Johannes in hoofdstuk 1: 12. Dat is niet in de eerste plaats een zaak van het verstand, maar van het hart. Het gaat er dus om dat we ons aan Hem toevertrouwen, met heel ons hebben en houden. Maar mag ik mijzelf dan zomaar kind van God noemen? Er zijn mensen die daar hun hele leven mee worstelen. En er zijn er ook voor wie dat de meest vanzelfsprekende zaak van de wereld is. Maar gezien onze ingeboren neiging om telkens weer bij de Vader vandaan te lopen, kwam Jezus. Hij is de weg naar de Vader. Wie Hem toelaat in zijn of haar leven, mag weten dat hij/zij door de Vader is aangenomen als kind.

Ds. H. Dekker.

 

Lied van de week: Ps. 87.

 

Week 5-21                                                                Lezen: Johannes 1: 1-8

In de winter lijkt alles dor, dood en kaal. Elk voorjaar verwonderen we ons weer over het nieuwe leven, dat tevoorschijn komt. Wij zeggen: dat zijn de natuurwetten. Johannes zegt: het is de kracht van de sprekende, scheppende God. Het is de kracht van het Woord, dat in het begin bij God was: Jezus Christus. Aan Hem hebben we het eeuwige leven te danken en aan Hem heeft ieder schepsel het aardse leven te danken. Leven en licht, die twee woorden uit vers 4 horen bij elkaar, zoals duisternis en dood bij elkaar horen. Zullen wij eens wat vaker aan Jezus Christus denken, als de dagen weer beginnen te lengen? Want in Zijn licht zien wij het licht, mogen wij van Johannes leren.

In het begin was dat anders. Toen was de aarde woest en doods, zegt de Bijbel en duisternis lag over de oervloed. Maar God zei: ‘er moet licht komen’ en er was licht (Gen. 1: 3). Toen verdween de duisternis niet, maar kreeg een afgebakend terrein toegewezen: de nacht. De duisternis was en is er steeds als donkere rand, letterlijk en ook figuurlijk gesproken. We zien dat volop in onze dagen. Terwijl ik deze meditatie schrijf staan de kranten en journaals bol van duistere daden die zich meester hebben gemaakt van jonge relschoppers…

Laat ik het zo zeggen: de duisternis was en is er steeds als donkere rand, maar kan het licht niet overweldigen. En als Nieuw- Testamentische gemeente mogen we weten: datzelfde zien we in de komst van Jezus, het Licht der wereld. Het donker wordt bij Zijn komst niet vernietigd, maar krijgt een plaats in Gods heilshandelen. Het verraad van Judas, de donkere nacht van Golgota vormen de duistere rand om het licht van Pasen. De komende maanden hopen we dat allemaal weer te gaan gedenken. Nee, de duisternis zal niet winnen. Het licht en het leven winnen.

Die boodschap mag telkens weer klinken in de verkondiging van het Woord. En daarom zien we uit naar het moment dat we gevaccineerd zijn en alle kerken weer open kunnen. Want geloven in het Licht, geloven in Jezus Christus als de Lichtbron van ons bestaan, doen we niet zomaar. Daarom zendt God ons dienaren die van Hem getuigen. Johannes de Doper was zo iemand. Hij was niet zelf het licht, lezen we vandaag in onze Schriftlezing, maar om te getuigen van het Licht! Gelukkig maar dat tot op de dag van vandaag God nog mensen in Zijn dienst in wil schakelen die als boden van God onze ogen willen openen voor Jezus. Opdat we wandelen zullen in het Licht. Wandelt u mee? “Ik wandel in het licht met Jezus, o mocht ik zelf een lichtje zijn, dat straalt temidden van de wereld, die gebukt gaat onder zorg en pijn.

Ds. H. Dekker.

Lied van de week: Evang. Liedbundel 184 (Ik wandel in het licht met Jezus…)

 

Week 4-21                                                                       Lezen: Psalm 15

 

Het begin van deze psalm zou ons kunnen afschrikken om ooit nog naar de kerk te gaan. Want het lijkt er haast op of kerkgang alleen maar voor “vrome types” is, of “heilige boontjes”. Maar zulk soort types worden hier niet genoemd. Dat lijkt maar zo. Wél zet God in deze Psalm een voet tussen de deur van uw hart en vraagt: wat wilt u nu eigenlijk…wilt u bij Mij horen of wilt u dat uiteindelijk toch niet?  Dat is een ontdekkende vraag. Een vraag die in ons hart achter blijft en waar we antwoord op mogen geven in ons leven. Ben ik dat wel waard dan, dat deze God mij ontmoeten wil? Want: oprecht zijn, de belangen van mijn naaste niet schaden.. al die concrete dingen die in deze Psalm genoemd worden.. kan ik die volbrengen?

Nu, als u bij deze God wilt horen let dan op uw hart, zou ik zeggen, (zie ook Spreuken 4: 23).

Als we in ons hart de beslissing nemen dat we bij God willen horen, dan moeten we ons leven daarnaar inrichten. Dat hoort bij elkaar. Daar vorm aangeven en het volhouden is een opdracht die ons leven lang meegaat. Mensen worden zoals Hij, onze Heiland, vol van mededogen, geduld, liefde, ja, dat valt niet mee voor ons mensen. Persoonlijk ben ik onder de indruk van de huidige paus, die probeert de weg van nederigheid te gaan, ondanks het hoge ambt dat hij mag bekleden. Zijn gaan naar de sloppenwijken, zijn omarming van verslaafden en daklozen zijn niet vanzelfsprekend voor een hoog geplaatste kerkleider. Maar hij treedt daarmee wel in de voetsporen van onze Heiland, die omging met hoeren en tollenaren, zoals de Bijbel zegt. Dat mag ons leren dat wij, die het in eigen kracht niet kunnen, van Hem af mogen kijken. Als de Psalm ons dan vraagt: Heer, wie mag gast zijn in uw tent, dan mogen we weten dat die tent onder ons is opgericht. Hij heeft Zijn medelijden, genade en geduld, Zijn trouw en waarheid zichtbaar, tastbaar gemaakt in Christus. In Hem is Zijn hart voor ons opengegaan. Met andere woorden: wij mensen hoeven niet zonder fouten en gebreken te zijn om bij God aan huis te mogen komen. Integendeel, kom maar zoals u bent. En leg uw lasten en schulden aan de voeten van Christus. Hij heeft ze gedragen aan het kruis. En zo mag ik kind van God zijn. Graag wijs ik er nog op dat de drie dingen die in vs. 3 genoemd worden parallel lopen met de drie dingen die in vs. 2 genoemd zijn. Zo komt naar buiten wat er in ons hart omgaat. Wie spreken wil, spreke woorden van God, zal de apostel Petrus later zeggen (1 Petr. 4: 11). Een prachtige opdracht. Zeldzaam geworden, denkt u? Ja, misschien wel. Niettemin: wie bij God wil horen zal altijd weer zoeken zó te leven!

Ds. H. Dekker.

Lied van de week: Gez. 78.

 

Week 3-21                                                                    Psalm 50.

De Psalm die we willen overdenken in deze meditatie is gedicht door Asaf. Net als de Psalmen 73-83. Wie was hij? Eigenlijk weten we niet meer van hem dan dat hij één van de musici was die de ark feestelijk binnenhaalden in Jeruzalem. (Zie 1 Kronieken 15: 17-21).

De voor ons bekendste woorden uit deze Psalm vinden we in vs. 15. En als ik die woorden lees moet ik altijd weer denken aan de Duitse theoloog en verzetsstrijder Dietrich Bonhoeffer. We schrijven januari 1944. Bonhoeffer is gevangengezet en schrijft aan zijn vriend Eberhard Bethge, die aan het front verblijft: “Het is toch maar zo, dat de nood eraan te pas moet komen om ons wakker te schudden en tot bidden aan te zetten. Ik voel dat elke keer als iets beschamends; en dat is het ook.”

Nood leert bidden, zeggen wij in de volksmond. Is dat altijd waar? Ik meen van niet. Nood leert mensen soms ook vloeken, helaas. Ik ben dat meerdere keren tegengekomen in de jaren van mijn predikantschap. Met andere woorden: niet onder álle omstandigheden leert nood bidden. Soms worden we opstandig. Of, nog anders: soms is de pijn en het verdriet zó groot, dat wij niet meer kunnen bidden. Dan denk ik aan mijn moeder in haar laatste maanden van ernstige ziekte. Ik kán niet meer Bijbellezen en bidden, zei ze. En zo zorgden we ervoor dat er iedere avond iemand van de kinderen of van de kleinkinderen (even) bij haar was en een paar verzen uit de Bijbel las en hardop voor haar bad. Dan speelde een glimlach om haar lippen en was het goed, óndanks alle leed dat geleden moest worden. ”Roep Mij te hulp in tijden van nood”, zegt vs. 15. Nu, van nood is de wereld vol, nietwaar? Er zijn van allerlei gebeurtenissen in onze tijd die ons zorgen baren over de toekomst van deze wereld. Als het: ‘ieder voor zich’ gaat regeren in Amerika, in Europa, in Nederland, dan zijn we vér van huis, omdat het oog noch hart heeft voor de medemens, die onze naaste is.

Maar de Psalm die wij overdenken mag ons leren: God wil niet dat wij onder angst en druk bezwijken. “Ik zal u redden en u zult Mij eren”, staat er dan bij in deze Psalm. Dat wij onszelf niet redden kunnen, weten we wel. Daarom kwam De Redder naar deze wereld. In de komende tijd overdenken we opnieuw hoezeer Hij onze Redder wilde zijn in de lijdensweg die Hij voor ons ging. En wij kunnen Hem alleen maar eren, door te stamelen: “duizend, duizendmaal, o Heer, zij U daarvoor dank en eer.”

Ds. H. Dekker.

Lied van de week: Gez. 169.

 

Week 2-21                                   Lezen: Psalm 6.

 

Er is nogal een groot verschil tussen het begin en het slot van deze Psalm. Een verschil zo groot als het verschil tussen dag en nacht, mag ik wel zeggen. Het begint allemaal nogal donker in deze Psalm. Pas aan het eind breekt het licht door, na een lange, zwarte nacht.

Niettemin: er is veel herkenbaar voor ons mensen in deze Psalm. Want in ons aller leven wisselen periodes van vreugde en verdriet elkaar af.

Blijkbaar is de dichter David op dit moment behoorlijk ziek. Genees mij HEER, ik ben doodsbang zegt hij in het slot van vs. 3. Ik vrees voor mijn leven (vs. 4). En hij gelooft dat deze ellende van God komt.

Dat klinkt ons wat vreemd in de oren, naar ik hopen mag. Want wij geloven niet in een God die ons straft met ziekte en dood. De schrijver Maarten ’t Hart doet het bijvoorbeeld wél, als een aanklacht naar God toe. En daarom heeft hij het geloof afgezworen en maakt het belachelijk, of zet het in een kwaad daglicht in zijn (overigens voortreffelijk geschreven) romans. En ik moet u zeggen: over de vraag naar de relatie tussen God en het lijden zijn boekenplanken vol geschreven. Maar wij geloven: God is niet de veroorzaker van alle ellende. Hij voorkomt het ook niet. Nee. Maar te midden van alles wat ons overkomen kan, draagt en lijdt Hij wel méé! Het lijkt me goed en nodig om dat in coronatijd nog maar eens nadrukkelijk te onderstrepen.

Juist omdat hij Gods nabijheid erváren heeft, kan de dichter van Ps. 6 bidden: keer terug Heer, en spaar mijn leven, toon mij Uw trouw en red mij. En uit het slot van deze psalm mag dan blijken, dat hem dit voorrecht ook geschonken is. Dan staat hij zogezegd achter de crisis. En heeft hij het leven opnieuw uit Gods hand mogen ontvangen.

Dat dit niet vanzelfsprekend is weten we maar al te goed. Want niet altijd wanneer doodzieke mensen bidden: Heer, red mijn leven, genezen ze ook daadwerkelijk.

Wat heb je dan aan zo’n ervaring van één mens uit deze psalm?

Dit: ziende op Jezus mogen wij als Nieuw – Testamentische christenen zeggen: Hij werd óók niet op het nippertje gered. Hij ging er in. Hij ging dwars door de dood heen. En als dan mijn ziekbed sterfbed zou worden, mag ik weten: Hij is mij vóórgegaan, dwars door die donkere tunnel van de dood heen, zodat er voor mij een ópen poort is naar de hemel. En die open poort laat d’ ingang vrij, aan wie komt binnen vlieden. En daarom dragen wij voor kruis een kroon, door Jezus bloed verkregen. (Joh. de Heer 140).

Ds. H. Dekker.                                                         

                                                                   Lied van de week: Gez. 460.

 

Week 1 -2021                  Lezen: Exodus 14: 1-15             

Op de grens van oud en nieuw kijken we terug naar een veelbewogen jaar. Sommigen noemen 2020 zelfs een kanteling in de geschiedenis. Maar of dat zo zal zijn, weten we niet. Dat zal wel of niet waar blijken in de tijd die voor ons ligt. Maar dat er veel te vrezen valt weten we inmiddels. En dat kan verlammend werken. Zozeer zelfs dat je de neiging hebt om maar stil te blijven staan. Maar de geschiedenis in Exodus 14 laat ons het tegenovergestelde zien. Daar klinkt het Goddelijk bevel: voorwaarts mars!

Zeker, de toekomst lijkt onzeker. Maar als gemeente van Christus mogen we weten: bij Hem is de toekomst in goede handen. Zullen we het dan maar aan Hem overlaten? “Laat Hem besturen, waken, ’t is wijsheid wat Hij doet”, zingt Gez. 427: 5. Het enige dat van ons gevraagd wordt aan het begin van een nieuw kalenderjaar is: vertrouwen. Met heel ons hart.

Wees niet bang, moet Mozes tegen het volk Israël zeggen. Wat een prachtig beeld van Gods bewaring wordt ons hier geschetst. Er komt voor het volk Israël een pad door de Rode Zee. Een weg om te gaan. Want: de Héér regeert!

God baant een weg, ook als er nergens meer een uitweg schijnt te bestaan. Door de onmogelijkheden heen.

Kijk, dáár mogen we op vertrouwen. Je hoeft niet bang te zijn voor 2021. Want Hij gaat vóór ons uit! In geloof mag u weten dat we een betrouwbare Gids aan onze zijde hebben. Hij brengt ons dwars door de woestijn van het leven naar het beloofde land. Wij mogen elke dag van het nieuwe jaar alles van Hem verwachten. Hij wil met ons meegaan, van dag tot dag.

“Zeg tegen de Israëlieten dat ze verder trekken.”

Dit Goddelijk bevel mag ik in deze eerste weekbrief van 2021 aan u doorgeven. Laten we daaraan vasthouden alstublieft, bij alles wat ons overkomen kan. Wetend, dat wie op Hem vertrouwt, nooit beschaamd uit zal komen.

Of, om Nel Benschop te citeren:
Het jaar is onbekend, lijkt dreigend.
Een land verloren in de mist,
Waarin ik naar de weg moet zoeken.
…………………………………......
Heer, schenk mij elke dag weer moed,
dan worden álle dagen goed!              

Ds. H. Dekker.

 

 

Nieuwjaar.                      Lezen: 1 Timoteüs 1: 15

Een nieuw jaar. En hoe begin je een nieuw jaar? Ik zou zeggen: met een zoen voor je geliefde. Sommige mensen vliegen zowat iedereen om de nek met een nieuw jaar. Maar dat moet dit keer maar achterwege blijven vanwege de corona maatregelen.

En wat zeg je dan tegen elkaar? Gelukkig nieuwjaar. En anderen zeggen: de beste wensen. Zelf gebruik ik nog altijd bij voorkeur het: veel heil en zegen.

Maar het blijft uiteraard afwachten wat ons te wachten staat in deze onzekere crisistijd. Daarom moeten we bij God terecht komen om wat we elkaar toewensen. Dat brengt me bij de tekst uit 1 Timoteüs 1 waar Paulus zegt: Gods Woord is betrouwbaar. Hij heeft voor ons een belofte die betrouwbaar is aan het begin van een nieuw jaar nu zoveel onzeker is. Wie zou dan niet een betrouwbare boodschap willen? Een boodschap die onze volledige instemming vraagt! Nu, dat lijkt me een hele opdracht aan het begin van een nieuw jaar. Laten wij alstublieft aan het begin van 2021 beseffen mogen dat wij het leven niet kunnen maken, naar onze hand kunnen zetten. We redden het niet zelf. De uitbraak van de pandemie die corona heet heeft ons dat duidelijk laten zien. Heil en zegen mogen we elkaar toewensen bij het begin van een nieuw jaar. Maar heil en zegen kunnen we elkaar niet geven. Christus is in de wereld gekomen om zondaars te redden, zegt Paulus. Dat is de kern van het evangelie. En nu mag ik weten en erop vertrouwen dat er geen zonde zo groot is, of er is vergeving voor. En waar vergeving is, is redding!

Nel Benschop dichtte:

Mijn God, ik ben bang voor het komende jaar
en bang voor de dingen, die kunnen gebeuren.
Ik kom met mijn vragen en angsten niet klaar,
soms voel ik mij achter gegrendelde deuren.
……..
Vrees niet, want nog zendt God Zijn engelen neer.
Nooit hoef je de vreugd van de Kerstnacht te derven.
Want u is geboren de Christus, Uw Heer,
Zijn eigendom zijt ge in leven en sterven.

Lied van de week: Ps. 62: 1, 4

Ds. H. Dekker

 

Kerstfeest 2020                      Lezen: Lucas 2: 1-12

Kerstfeest spreekt ieder jaar weer tot de verbeelding. En daarom is er in Kersttijd zoveel te zien. Aan lichtjes, bomen en kerststalletjes. Compleet met voederbak en daaromheen een vader en een moeder, herders en wijzen, de os en ezel. Die laatste twee horen er eigenlijk niet in thuis, want de stal zal heus leeg zijn geweest. De herders waren immers met hun kudde in het veld, zegt de Bijbel. De evangelist Lucas vertelt het allemaal heel beeldend aan ons. Hij werkt in zijn verhaal als een soort van verslaggever. Maar zó wil Lucas graag dat wij naar het Kerstevangelie kijken. Hij wil ons de historische gebeurtenis laten zien. En hij onderbouwt die historische gebeurtenis door in de beginverzen van zijn evangelie te zeggen dat hij alles nauwkeurig is nagegaan. En dat hij vervolgens alle gebeurtenissen rond Jezus op schrift heeft gesteld. U kunt dat lazen in Lucas 1: 1-3. Dat is de verantwoording van Lucas waarom hij het doet zoals hij het doet.

Ik denk dat Lucas heel veel gesprekken heeft gevoerd met overlevenden. Met tijdgenoten. En ik denk, als er toen al archieven hadden bestaan dat Lucas erin gedoken was. Dat hij alles in detail had willen vastleggen. Dat merken we ook als we het begin van Lucas 2 lezen. Nauwkeurig geeft hij aan in welke tijd we ons bevinden. Wie er regeerde. En dankzij Lucas weten we dat Israël in die tijd maar een provincie was van de grootmacht Syrië. Zo legt Lucas verbanden met de wereldgeschiedenis om hem heen. Hij wil in ieder geval zeggen: let er op, mijn verhaal is historisch betrouwbaar. Het is gewoon na te zoeken in de geschiedenisboeken in welke tijd het zich afspeelde en welke machthebbers het toen voor het zeggen hadden. Lucas was dokter weten we uit de Bijbel, maar in het begin van zijn evangelie krijg je toch sterk de indruk dat hij een journalistieke opleiding heeft gevolgd. Van Lucas kun je een tafereeltje maken waar je gemakkelijk het Stille Nacht bij zingt.

Maar het allerbelangrijkste dat Lucas ons wil zeggen is: Christus is geboren om ons mensen te verlossen. En om licht te brengen in de duisternis. Dat is een hoopvolle boodschap aan het eind van 2020, het jaar waarin zoveel duisternis is door de coronacrisis.

Je moet het wel willen zien natuurlijk. Maar wie in de stal kijkt met ogen van gelóóf, die ziet het. Want dit Kind is gekomen om ons te redden. Om verzoening te brengen. “Komt verwondert u hier mensen, ziet hoe dat God u bemint.”(Gez. 139) Die boodschap mag verkondigd worden, ook in deze meditatie te midden van de crisis waarin wij leven. En zo wordt Kerstfeest het feest van verzoening van onze schuld. Met die boodschap in ons hart en in onze oren kunnen we wel het kerstfeest gaan vieren, zou ik zeggen. Ook in dit bijzondere jaar 2020.

Ds. H. Dekker.

Lied van de week: Gez. 143.

 

Advent meditatie

30 november 2020                                                                            Lezen: Lucas 1: 57-63 

Advent is een tijd in de kerk die ons spreekt van geboorten. In het Bijbelgedeelte dat ik hierboven noemde lezen we over de geboorte van Johannes. De voorloper van Jezus.

In de gelezen verzen uit Lucas 1 ontmoeten wij de vader en moeder van Johannes. Er is blijdschap En dat mag uiteraard bij de geboorte van een baby.

Maar dit kind, Johannes is zijn naam, schrijft Zacharias zijn vader, is niet slechts een kroon op het huwelijk van twee mensen, nee hij is een téken van Gods barmhartigheid in een donkere wereld. In hem mogen we zien: zolang God kinderen tot ons zendt, heeft Hij zich nog niet van ons afgewend. Dat lijkt me een hele troost in crisisjaar 2020.

Zijn ouders, Zacharias en Elisabet ontvangen dit kind als een regelrecht wonder uit de hemel. Eindelijk mogen ze, naar Gods beloften, een zoon ontvangen. God is genadig. En die naam is ten volle waar: Johannes.

En déze jongen zal een heraut zijn voor de komende Messias.

Net als alle jongetjes in Israël wordt hij na acht dagen besneden. Dan krijgt hij officieel zijn naam. Nee, niet naar vader en moeder zal dit kind heten. Maar Johannes. Hierin krijgt God alle eer die Hem toekomt.

Bij de doop van onze kinderen zou aan ieder kind een extra naam gegeven kunnen worden als onderschrijving van de genade van God over ons leven. Dát mag ons leven en het leven van onze kinderen bepalen.

Johannes is zijn naam, schrijft Zacharias. De sprakeloze priester. Maar als hij dat opgeschreven heeft is de verlamming van zijn mond gelijk over. Want nú pas is Zacharias gehoorzaam aan zijn Heer. Dan kan de lofzang doorbreken.

De lofzang die verwijst naar Het Kind, dat geboren gaat worden in die voederbak in Bethlehem. Hij is de genade zelf. Voor ons en voor onze kinderen en kleinkinderen.

In Hem klopt Gods hart vol liefde over ons.

Zou ons dat niet blij en dankbaar maken?

Lied van de week: Gez. 67: 1

Ds. H. Dekker.

 

Meditatie 23 november 2020                                                Lezen: Psalm 13.

Een aloude vraag zou ik willen zeggen, komt in deze psalm aan de orde. Hoe komt het dat ook mensen die hun vertrouwen op God stellen, toch zoveel ellende overkomt? Verschillende Psalmdichters worstelden daarmee. En tot op de dag van vandaag blijft deze vraag velen bezighouden. Is het niet vreemd dat juist de mens die op God vertrouwt, onrecht lijdt? Dat het kwaad goede mensen treft? Waarom merken we dan zo weinig van Gods tegenwoordigheid? We moeten maar niet zo vreemd opkijken dat er sommige moderne schrijvers en dichters zijn die dan vervolgens de conclusie trekken: God bestaat niet. Het kan ook zijn dat er een geheel ándere vraag gesteld wordt n.a.v. het onrecht dat ons overkomt. Namelijk deze: hoelang laat God toe dat we in een situatie moeten verkeren waarin alles mij toegrijnst en lijkt te zeggen, dat Hij niet bestaat? Wat staat me nog te wachten als ik aan U vasthoudt Heer?

Kijk, dát nu komt allemaal aan de orde in Psalm 13. Een Psalm die we nooit zingen in onze kerkdiensten. Dat zal ongetwijfeld te maken hebben met de wat weerbarstige melodie van deze Psalm. Het is wellicht daarom dat de samenstellers van het Nieuwe Liedboek 2013 er voor gekozen hebben aan deze psalm 3 nieuwe versies toe te voegen onder de nummers 13a, 13b en 13c.  Maar ik geloof niet dat de zingbaarheid er beter op geworden is. Dus ook van het Nieuwe Liedboek zal wel gelden, net als van onze huidige Liedboek: we pakken er uit wat ons (theologisch) ligt en wat qua melodie tot de verbeelding spreekt. Want niemand van ons zal zeggen dat hij of zij na ruim 40 jr. het gehele rode Liedboek dat wij gebruiken kent. Nu, dat hoeft ook niet. Iedere traditie/stroming in onze brede volkskerk heeft zo haar eigen voorkeuren. En daar is op zich niets mis mee. Persoonlijk vind ik wel dat er iets heel moois in zit als in vele kerken hetzelfde Liedboek gebruikt wordt, ook al maken de verschillende geloofsrichtingen binnen die kerken uit het aanbod weer een eigen keuze. Nog heel even terug naar de inhoud van Psalm 13. De grootste ontdekking uit deze Psalm is naar mijn overtuiging dat het hoogste geluk is: God beminnen omwille van Hemzelf. Niet omwille van het goede dat je overkomt, de zegeningen die je krijgt. Dat is een leerproces in het geloof. Dat gaat niet vanzelf. Maar het is de moeite van het leven meer dan waard.

Of, om het te zeggen met de woorden van Ria Borkent, die deze psalm zó doet eindigen: “als één mij goed doet, dan is Hij het wel.” (Lied 13 C NLB).

 

Lied van de week: Gez. 410.

Ds. H. Dekker.

 

 

Meditatie 16 november 2020                                                Lezen: Psalm 59.

Het opschrift en de inhoud van deze Psalm en de inhoud van 1 Samuël 19 horen bij elkaar. David weet te ontsnappen aan de handen van Saul met medewerking van zijn vrouw, de dochter van Saul. Je zou kunnen zeggen: de Psalm volgt inhoudelijk de lijn van deze episode. Vergevingsgezindheid is ver te zoeken in deze Psalm. En dat stelt ons voor de vraag, levend in deze tijd: hoe zit dat eigenlijk? David komt er weer bovenop en zijn tegenstanders delven het onderspit. God als een burcht voor David en als een ravijn voor Saul en zijn trawanten? Dus God voor de koningskar van David gespannen? Kan dat? Mogen we deze Psalm zo lezen? En als we de lijn doortrekken en in de Psalmen de doodskreet model voelen staan voor mensen in nood….?

De Psalm reikt ons de grondtoon aan die boven deze tegenstelling uitgaat. Namelijk de God die lacht! Hij staat bóven Israël en de volken (vers 9). In het Joodse commentaar op deze Psalm van Samson Raphael Hirsch lees ik: ‘God spot met iedere gemeenschap die is weggezonken tot de diepte van geweld en misbruik van macht.’

Nu, dán pas krijgen we zicht op de God die een vaste burcht voor David wil zijn (vers 10). De lage aanval wordt gelukkig gevolgd in deze Psalm door een beweging omhóóg! Met andere woorden: uiteindelijk kunnen wij mensen op aarde ons niet zo gewichtig maken, dat God er niet om moet lachen. En op die hemelse lach is de burcht gebouwd. De vaste burcht. Of, zoals de Spreukendichter het zegt: ‘de Naam van de Heer is een machtige toren.’ In de Naam van de Eeuwige God is ons dus een onneembare vesting gegeven. Zijn Naam houdt ons staande. “Anderen vertrouwen op de macht van paarden en wagens, wij op de naam van de Heer, onze God.’(zie Psalm 20).

Dus de beweging omhoog die Psalm 59 doortrekt, is de roep omhoog naar de Naam van God. God is zo sterk als Zijn Naam is. Dus het gaat hier niet zomaar om: God voor ons en tegen hen. Nee, hier klinkt Góds stemgeluid boven alles uit. En leren we in verwondering zeggen en zingen: hoe vertrouwd en goed, klinkt mij Uw Naam in het oor, Uw Naam die mij geloven doet: Gij gaat mij reddend voor. In die Naam ligt dus ons behoud.

 

Lied van de week: Gez. 446.

 

Ds. H. Dekker.

 

Meditatie 9 november 2020                                                Lezen: Psalm 28.

In onze dagen zien velen God slechts als een hogere macht. Meer niet. Maar als je God zo ziet, hoe wil je dan dat Hij tot je spreekt? Als je geloof beperkt is tot de opmerking die ik nogal eens hoor: ja, ik geloof wel dat er iets is…hoe zou je het dan ooit in je hoofd kunnen  halen dat dit “iets” gaat spreken? Wat voor zin heeft het om zo te geloven?

Het unieke dat de kerk van vandaag van Israël geleerd heeft, is nu juist dat God spréékt. “Merk op mijn ziel, wat antwoord God u geeft! Hij spreekt gewis tot elk, die voor Hem leeft” zo zingt de oude berijming van Psalm 85 ons dan voor. De Bijbel heeft het dus over het spreken van de levende God. Maar wie Hem wil horen spreken zal de bereidheid moeten tonen om te luisteren. Net als in het dagelijks leven. Als je niet luistert, hoor je de ander ook niet spreken. Aan dat luisteren mankeert het nogal eens in ons leven. Wij spreken in ons bidden tot God. En dan o zo vaak in de zin van: luister Heer, want ik spreek tot U. Maar wie kent in zijn of haar geloofsleven déze regel: spreek Heer, ik luister?

De dichter van Psalm 28 is naar de tempel gegaan om te bidden. En hij hoopt van God antwoord te krijgen. Hij verlangt er naar dat hij iets mag vernemen van God, zodat hij weer verder kan. Wat gewéldig als je zo luisteren geleerd hebt wanneer je naar de kerk komt. Zou dan niet als vanzelf alle inhoudsloze babbeltaal verstommen, als we zo dicht bij God mogen zijn? Er worden soms heel wat woorden gesproken, over van allerlei zaken die ons bezig kunnen houden. Soms ook woorden vol van gemoraliseer en getheoretiseer.

Zullen we ons maar eens gaan oefenen om te proberen Góds stem te verstaan als we naar de kerk komen? Dan ben je niet voor niets in de kerk geweest. In Gods huis horen we de boodschap van redding en bevrijding. En daarom verlangen we ernaar dat we de kerkdiensten kunnen hervatten.

Zullen we het dan maar met die dichter mee belijden, zoals we het lezen in het slot van Psalm 28? De Heer is de kracht van zijn volk, een burcht van redding voor zijn gezalfde. En het gebed overnemen: red het volk dat U toebehoort. Zegen hen. Wees hun herder en draag het voor eeuwig. Troostvolle woorden die we naar ons toe mogen halen!

Lied van de week: Gez. 292: 1, 2

Ds. H. Dekker.

 

Meditatie  2 november 2020                                                    Lezen: Psalm 45.

De Psalm die we deze week overdenken is een bruiloftslied. Maar deze bruiloft is geen alledaagse, zoals wij die kennen. Nee, het gaat hier over een koninklijke bruiloft. Dat denken wij al gauw terug aan de bruiloftsbeelden van koning Willem-Alexander en koningin Maxima. En vooral denk ik dan aan de tranen van Maxima, bij het horen van de tango uit haar vaderland. De Psalm kent twee coupletten. In het 1e wordt de schoonheid van de bruidegom bezongen (in de verzen 1-10) en het tweede couplet bezingt het geluk van zijn geliefde. Een bijzonder lied dus te midden van alle andere Psalmen. Iemand heeft eens gezegd: deze Psalm is net zoiets als het Hooglied. Ook een wonderlijk en vreemd Bijbelboek te midden van de andere Bijbelboeken. Ja, dat begrijp ik wel als je Hooglied en deze Psalm wilt lezen als een gewoon liefdeslied. Maar zo heeft de kerk der eeuwen deze Psalm en ook het Bijbelboek Hooglied nooit verstaan. Al in de vroege kerk werd deze Psalm gezien als een verwijzing naar Christus. En net als het Hooglied in die zin uitgelegd. Bruid en bruidegom staan dan in deze Psalm en ook in het Bijbelboek Hooglied voor God en mens. Mijn bezwaar tegen deze uitleg is dat je al snel de neiging hebt om de eigenlijke tekst niet meer serieus te nemen. En daarom zeg ik in eerste instantie: deze Psalm én het Bijbelboek Hooglied gaan wel degelijk over de liefde en alle moois dat je daarbij bedenken kunt, inclusief de lichamelijke verrukking van de liefde. Dat gezegd hebbende ga ik graag mee met grote uitleggers van de Bijbel als Calvijn en Kohlbrugge die deze Psalm (ui