Archief

Week 2-21                                   Lezen: Psalm 6.

 

Er is nogal een groot verschil tussen het begin en het slot van deze Psalm. Een verschil zo groot als het verschil tussen dag en nacht, mag ik wel zeggen. Het begint allemaal nogal donker in deze Psalm. Pas aan het eind breekt het licht door, na een lange, zwarte nacht.

Niettemin: er is veel herkenbaar voor ons mensen in deze Psalm. Want in ons aller leven wisselen periodes van vreugde en verdriet elkaar af.

Blijkbaar is de dichter David op dit moment behoorlijk ziek. Genees mij HEER, ik ben doodsbang zegt hij in het slot van vs. 3. Ik vrees voor mijn leven (vs. 4). En hij gelooft dat deze ellende van God komt.

Dat klinkt ons wat vreemd in de oren, naar ik hopen mag. Want wij geloven niet in een God die ons straft met ziekte en dood. De schrijver Maarten ’t Hart doet het bijvoorbeeld wél, als een aanklacht naar God toe. En daarom heeft hij het geloof afgezworen en maakt het belachelijk, of zet het in een kwaad daglicht in zijn (overigens voortreffelijk geschreven) romans. En ik moet u zeggen: over de vraag naar de relatie tussen God en het lijden zijn boekenplanken vol geschreven. Maar wij geloven: God is niet de veroorzaker van alle ellende. Hij voorkomt het ook niet. Nee. Maar te midden van alles wat ons overkomen kan, draagt en lijdt Hij wel méé! Het lijkt me goed en nodig om dat in coronatijd nog maar eens nadrukkelijk te onderstrepen.

Juist omdat hij Gods nabijheid erváren heeft, kan de dichter van Ps. 6 bidden: keer terug Heer, en spaar mijn leven, toon mij Uw trouw en red mij. En uit het slot van deze psalm mag dan blijken, dat hem dit voorrecht ook geschonken is. Dan staat hij zogezegd achter de crisis. En heeft hij het leven opnieuw uit Gods hand mogen ontvangen.

Dat dit niet vanzelfsprekend is weten we maar al te goed. Want niet altijd wanneer doodzieke mensen bidden: Heer, red mijn leven, genezen ze ook daadwerkelijk.

Wat heb je dan aan zo’n ervaring van één mens uit deze psalm?

Dit: ziende op Jezus mogen wij als Nieuw – Testamentische christenen zeggen: Hij werd óók niet op het nippertje gered. Hij ging er in. Hij ging dwars door de dood heen. En als dan mijn ziekbed sterfbed zou worden, mag ik weten: Hij is mij vóórgegaan, dwars door die donkere tunnel van de dood heen, zodat er voor mij een ópen poort is naar de hemel. En die open poort laat d’ ingang vrij, aan wie komt binnen vlieden. En daarom dragen wij voor kruis een kroon, door Jezus bloed verkregen. (Joh. de Heer 140).

Ds. H. Dekker.                                                         

                                                                   Lied van de week: Gez. 460.

 

Week 1 -2021                  Lezen: Exodus 14: 1-15             

Op de grens van oud en nieuw kijken we terug naar een veelbewogen jaar. Sommigen noemen 2020 zelfs een kanteling in de geschiedenis. Maar of dat zo zal zijn, weten we niet. Dat zal wel of niet waar blijken in de tijd die voor ons ligt. Maar dat er veel te vrezen valt weten we inmiddels. En dat kan verlammend werken. Zozeer zelfs dat je de neiging hebt om maar stil te blijven staan. Maar de geschiedenis in Exodus 14 laat ons het tegenovergestelde zien. Daar klinkt het Goddelijk bevel: voorwaarts mars!

Zeker, de toekomst lijkt onzeker. Maar als gemeente van Christus mogen we weten: bij Hem is de toekomst in goede handen. Zullen we het dan maar aan Hem overlaten? “Laat Hem besturen, waken, ’t is wijsheid wat Hij doet”, zingt Gez. 427: 5. Het enige dat van ons gevraagd wordt aan het begin van een nieuw kalenderjaar is: vertrouwen. Met heel ons hart.

Wees niet bang, moet Mozes tegen het volk Israël zeggen. Wat een prachtig beeld van Gods bewaring wordt ons hier geschetst. Er komt voor het volk Israël een pad door de Rode Zee. Een weg om te gaan. Want: de Héér regeert!

God baant een weg, ook als er nergens meer een uitweg schijnt te bestaan. Door de onmogelijkheden heen.

Kijk, dáár mogen we op vertrouwen. Je hoeft niet bang te zijn voor 2021. Want Hij gaat vóór ons uit! In geloof mag u weten dat we een betrouwbare Gids aan onze zijde hebben. Hij brengt ons dwars door de woestijn van het leven naar het beloofde land. Wij mogen elke dag van het nieuwe jaar alles van Hem verwachten. Hij wil met ons meegaan, van dag tot dag.

“Zeg tegen de Israëlieten dat ze verder trekken.”

Dit Goddelijk bevel mag ik in deze eerste weekbrief van 2021 aan u doorgeven. Laten we daaraan vasthouden alstublieft, bij alles wat ons overkomen kan. Wetend, dat wie op Hem vertrouwt, nooit beschaamd uit zal komen.

Of, om Nel Benschop te citeren:
Het jaar is onbekend, lijkt dreigend.
Een land verloren in de mist,
Waarin ik naar de weg moet zoeken.
…………………………………......
Heer, schenk mij elke dag weer moed,
dan worden álle dagen goed!              

Ds. H. Dekker.

 

 

Nieuwjaar.                      Lezen: 1 Timoteüs 1: 15

Een nieuw jaar. En hoe begin je een nieuw jaar? Ik zou zeggen: met een zoen voor je geliefde. Sommige mensen vliegen zowat iedereen om de nek met een nieuw jaar. Maar dat moet dit keer maar achterwege blijven vanwege de corona maatregelen.

En wat zeg je dan tegen elkaar? Gelukkig nieuwjaar. En anderen zeggen: de beste wensen. Zelf gebruik ik nog altijd bij voorkeur het: veel heil en zegen.

Maar het blijft uiteraard afwachten wat ons te wachten staat in deze onzekere crisistijd. Daarom moeten we bij God terecht komen om wat we elkaar toewensen. Dat brengt me bij de tekst uit 1 Timoteüs 1 waar Paulus zegt: Gods Woord is betrouwbaar. Hij heeft voor ons een belofte die betrouwbaar is aan het begin van een nieuw jaar nu zoveel onzeker is. Wie zou dan niet een betrouwbare boodschap willen? Een boodschap die onze volledige instemming vraagt! Nu, dat lijkt me een hele opdracht aan het begin van een nieuw jaar. Laten wij alstublieft aan het begin van 2021 beseffen mogen dat wij het leven niet kunnen maken, naar onze hand kunnen zetten. We redden het niet zelf. De uitbraak van de pandemie die corona heet heeft ons dat duidelijk laten zien. Heil en zegen mogen we elkaar toewensen bij het begin van een nieuw jaar. Maar heil en zegen kunnen we elkaar niet geven. Christus is in de wereld gekomen om zondaars te redden, zegt Paulus. Dat is de kern van het evangelie. En nu mag ik weten en erop vertrouwen dat er geen zonde zo groot is, of er is vergeving voor. En waar vergeving is, is redding!

Nel Benschop dichtte:

Mijn God, ik ben bang voor het komende jaar
en bang voor de dingen, die kunnen gebeuren.
Ik kom met mijn vragen en angsten niet klaar,
soms voel ik mij achter gegrendelde deuren.
……..
Vrees niet, want nog zendt God Zijn engelen neer.
Nooit hoef je de vreugd van de Kerstnacht te derven.
Want u is geboren de Christus, Uw Heer,
Zijn eigendom zijt ge in leven en sterven.

Lied van de week: Ps. 62: 1, 4

Ds. H. Dekker

 

Kerstfeest 2020                      Lezen: Lucas 2: 1-12

Kerstfeest spreekt ieder jaar weer tot de verbeelding. En daarom is er in Kersttijd zoveel te zien. Aan lichtjes, bomen en kerststalletjes. Compleet met voederbak en daaromheen een vader en een moeder, herders en wijzen, de os en ezel. Die laatste twee horen er eigenlijk niet in thuis, want de stal zal heus leeg zijn geweest. De herders waren immers met hun kudde in het veld, zegt de Bijbel. De evangelist Lucas vertelt het allemaal heel beeldend aan ons. Hij werkt in zijn verhaal als een soort van verslaggever. Maar zó wil Lucas graag dat wij naar het Kerstevangelie kijken. Hij wil ons de historische gebeurtenis laten zien. En hij onderbouwt die historische gebeurtenis door in de beginverzen van zijn evangelie te zeggen dat hij alles nauwkeurig is nagegaan. En dat hij vervolgens alle gebeurtenissen rond Jezus op schrift heeft gesteld. U kunt dat lazen in Lucas 1: 1-3. Dat is de verantwoording van Lucas waarom hij het doet zoals hij het doet.

Ik denk dat Lucas heel veel gesprekken heeft gevoerd met overlevenden. Met tijdgenoten. En ik denk, als er toen al archieven hadden bestaan dat Lucas erin gedoken was. Dat hij alles in detail had willen vastleggen. Dat merken we ook als we het begin van Lucas 2 lezen. Nauwkeurig geeft hij aan in welke tijd we ons bevinden. Wie er regeerde. En dankzij Lucas weten we dat Israël in die tijd maar een provincie was van de grootmacht Syrië. Zo legt Lucas verbanden met de wereldgeschiedenis om hem heen. Hij wil in ieder geval zeggen: let er op, mijn verhaal is historisch betrouwbaar. Het is gewoon na te zoeken in de geschiedenisboeken in welke tijd het zich afspeelde en welke machthebbers het toen voor het zeggen hadden. Lucas was dokter weten we uit de Bijbel, maar in het begin van zijn evangelie krijg je toch sterk de indruk dat hij een journalistieke opleiding heeft gevolgd. Van Lucas kun je een tafereeltje maken waar je gemakkelijk het Stille Nacht bij zingt.

Maar het allerbelangrijkste dat Lucas ons wil zeggen is: Christus is geboren om ons mensen te verlossen. En om licht te brengen in de duisternis. Dat is een hoopvolle boodschap aan het eind van 2020, het jaar waarin zoveel duisternis is door de coronacrisis.

Je moet het wel willen zien natuurlijk. Maar wie in de stal kijkt met ogen van gelóóf, die ziet het. Want dit Kind is gekomen om ons te redden. Om verzoening te brengen. “Komt verwondert u hier mensen, ziet hoe dat God u bemint.”(Gez. 139) Die boodschap mag verkondigd worden, ook in deze meditatie te midden van de crisis waarin wij leven. En zo wordt Kerstfeest het feest van verzoening van onze schuld. Met die boodschap in ons hart en in onze oren kunnen we wel het kerstfeest gaan vieren, zou ik zeggen. Ook in dit bijzondere jaar 2020.

Ds. H. Dekker.

Lied van de week: Gez. 143.

 

Advent meditatie

30 november 2020                                                                            Lezen: Lucas 1: 57-63 

Advent is een tijd in de kerk die ons spreekt van geboorten. In het Bijbelgedeelte dat ik hierboven noemde lezen we over de geboorte van Johannes. De voorloper van Jezus.

In de gelezen verzen uit Lucas 1 ontmoeten wij de vader en moeder van Johannes. Er is blijdschap En dat mag uiteraard bij de geboorte van een baby.

Maar dit kind, Johannes is zijn naam, schrijft Zacharias zijn vader, is niet slechts een kroon op het huwelijk van twee mensen, nee hij is een téken van Gods barmhartigheid in een donkere wereld. In hem mogen we zien: zolang God kinderen tot ons zendt, heeft Hij zich nog niet van ons afgewend. Dat lijkt me een hele troost in crisisjaar 2020.

Zijn ouders, Zacharias en Elisabet ontvangen dit kind als een regelrecht wonder uit de hemel. Eindelijk mogen ze, naar Gods beloften, een zoon ontvangen. God is genadig. En die naam is ten volle waar: Johannes.

En déze jongen zal een heraut zijn voor de komende Messias.

Net als alle jongetjes in Israël wordt hij na acht dagen besneden. Dan krijgt hij officieel zijn naam. Nee, niet naar vader en moeder zal dit kind heten. Maar Johannes. Hierin krijgt God alle eer die Hem toekomt.

Bij de doop van onze kinderen zou aan ieder kind een extra naam gegeven kunnen worden als onderschrijving van de genade van God over ons leven. Dát mag ons leven en het leven van onze kinderen bepalen.

Johannes is zijn naam, schrijft Zacharias. De sprakeloze priester. Maar als hij dat opgeschreven heeft is de verlamming van zijn mond gelijk over. Want nú pas is Zacharias gehoorzaam aan zijn Heer. Dan kan de lofzang doorbreken.

De lofzang die verwijst naar Het Kind, dat geboren gaat worden in die voederbak in Bethlehem. Hij is de genade zelf. Voor ons en voor onze kinderen en kleinkinderen.

In Hem klopt Gods hart vol liefde over ons.

Zou ons dat niet blij en dankbaar maken?

Lied van de week: Gez. 67: 1

Ds. H. Dekker.

 

Meditatie 23 november 2020                                                Lezen: Psalm 13.

Een aloude vraag zou ik willen zeggen, komt in deze psalm aan de orde. Hoe komt het dat ook mensen die hun vertrouwen op God stellen, toch zoveel ellende overkomt? Verschillende Psalmdichters worstelden daarmee. En tot op de dag van vandaag blijft deze vraag velen bezighouden. Is het niet vreemd dat juist de mens die op God vertrouwt, onrecht lijdt? Dat het kwaad goede mensen treft? Waarom merken we dan zo weinig van Gods tegenwoordigheid? We moeten maar niet zo vreemd opkijken dat er sommige moderne schrijvers en dichters zijn die dan vervolgens de conclusie trekken: God bestaat niet. Het kan ook zijn dat er een geheel ándere vraag gesteld wordt n.a.v. het onrecht dat ons overkomt. Namelijk deze: hoelang laat God toe dat we in een situatie moeten verkeren waarin alles mij toegrijnst en lijkt te zeggen, dat Hij niet bestaat? Wat staat me nog te wachten als ik aan U vasthoudt Heer?

Kijk, dát nu komt allemaal aan de orde in Psalm 13. Een Psalm die we nooit zingen in onze kerkdiensten. Dat zal ongetwijfeld te maken hebben met de wat weerbarstige melodie van deze Psalm. Het is wellicht daarom dat de samenstellers van het Nieuwe Liedboek 2013 er voor gekozen hebben aan deze psalm 3 nieuwe versies toe te voegen onder de nummers 13a, 13b en 13c.  Maar ik geloof niet dat de zingbaarheid er beter op geworden is. Dus ook van het Nieuwe Liedboek zal wel gelden, net als van onze huidige Liedboek: we pakken er uit wat ons (theologisch) ligt en wat qua melodie tot de verbeelding spreekt. Want niemand van ons zal zeggen dat hij of zij na ruim 40 jr. het gehele rode Liedboek dat wij gebruiken kent. Nu, dat hoeft ook niet. Iedere traditie/stroming in onze brede volkskerk heeft zo haar eigen voorkeuren. En daar is op zich niets mis mee. Persoonlijk vind ik wel dat er iets heel moois in zit als in vele kerken hetzelfde Liedboek gebruikt wordt, ook al maken de verschillende geloofsrichtingen binnen die kerken uit het aanbod weer een eigen keuze. Nog heel even terug naar de inhoud van Psalm 13. De grootste ontdekking uit deze Psalm is naar mijn overtuiging dat het hoogste geluk is: God beminnen omwille van Hemzelf. Niet omwille van het goede dat je overkomt, de zegeningen die je krijgt. Dat is een leerproces in het geloof. Dat gaat niet vanzelf. Maar het is de moeite van het leven meer dan waard.

Of, om het te zeggen met de woorden van Ria Borkent, die deze psalm zó doet eindigen: “als één mij goed doet, dan is Hij het wel.” (Lied 13 C NLB).

 

Lied van de week: Gez. 410.

Ds. H. Dekker.

 

 

Meditatie 16 november 2020                                                Lezen: Psalm 59.

Het opschrift en de inhoud van deze Psalm en de inhoud van 1 Samuël 19 horen bij elkaar. David weet te ontsnappen aan de handen van Saul met medewerking van zijn vrouw, de dochter van Saul. Je zou kunnen zeggen: de Psalm volgt inhoudelijk de lijn van deze episode. Vergevingsgezindheid is ver te zoeken in deze Psalm. En dat stelt ons voor de vraag, levend in deze tijd: hoe zit dat eigenlijk? David komt er weer bovenop en zijn tegenstanders delven het onderspit. God als een burcht voor David en als een ravijn voor Saul en zijn trawanten? Dus God voor de koningskar van David gespannen? Kan dat? Mogen we deze Psalm zo lezen? En als we de lijn doortrekken en in de Psalmen de doodskreet model voelen staan voor mensen in nood….?

De Psalm reikt ons de grondtoon aan die boven deze tegenstelling uitgaat. Namelijk de God die lacht! Hij staat bóven Israël en de volken (vers 9). In het Joodse commentaar op deze Psalm van Samson Raphael Hirsch lees ik: ‘God spot met iedere gemeenschap die is weggezonken tot de diepte van geweld en misbruik van macht.’

Nu, dán pas krijgen we zicht op de God die een vaste burcht voor David wil zijn (vers 10). De lage aanval wordt gelukkig gevolgd in deze Psalm door een beweging omhóóg! Met andere woorden: uiteindelijk kunnen wij mensen op aarde ons niet zo gewichtig maken, dat God er niet om moet lachen. En op die hemelse lach is de burcht gebouwd. De vaste burcht. Of, zoals de Spreukendichter het zegt: ‘de Naam van de Heer is een machtige toren.’ In de Naam van de Eeuwige God is ons dus een onneembare vesting gegeven. Zijn Naam houdt ons staande. “Anderen vertrouwen op de macht van paarden en wagens, wij op de naam van de Heer, onze God.’(zie Psalm 20).

Dus de beweging omhoog die Psalm 59 doortrekt, is de roep omhoog naar de Naam van God. God is zo sterk als Zijn Naam is. Dus het gaat hier niet zomaar om: God voor ons en tegen hen. Nee, hier klinkt Góds stemgeluid boven alles uit. En leren we in verwondering zeggen en zingen: hoe vertrouwd en goed, klinkt mij Uw Naam in het oor, Uw Naam die mij geloven doet: Gij gaat mij reddend voor. In die Naam ligt dus ons behoud.

 

Lied van de week: Gez. 446.

 

Ds. H. Dekker.

 

Meditatie 9 november 2020                                                Lezen: Psalm 28.

In onze dagen zien velen God slechts als een hogere macht. Meer niet. Maar als je God zo ziet, hoe wil je dan dat Hij tot je spreekt? Als je geloof beperkt is tot de opmerking die ik nogal eens hoor: ja, ik geloof wel dat er iets is…hoe zou je het dan ooit in je hoofd kunnen  halen dat dit “iets” gaat spreken? Wat voor zin heeft het om zo te geloven?

Het unieke dat de kerk van vandaag van Israël geleerd heeft, is nu juist dat God spréékt. “Merk op mijn ziel, wat antwoord God u geeft! Hij spreekt gewis tot elk, die voor Hem leeft” zo zingt de oude berijming van Psalm 85 ons dan voor. De Bijbel heeft het dus over het spreken van de levende God. Maar wie Hem wil horen spreken zal de bereidheid moeten tonen om te luisteren. Net als in het dagelijks leven. Als je niet luistert, hoor je de ander ook niet spreken. Aan dat luisteren mankeert het nogal eens in ons leven. Wij spreken in ons bidden tot God. En dan o zo vaak in de zin van: luister Heer, want ik spreek tot U. Maar wie kent in zijn of haar geloofsleven déze regel: spreek Heer, ik luister?

De dichter van Psalm 28 is naar de tempel gegaan om te bidden. En hij hoopt van God antwoord te krijgen. Hij verlangt er naar dat hij iets mag vernemen van God, zodat hij weer verder kan. Wat gewéldig als je zo luisteren geleerd hebt wanneer je naar de kerk komt. Zou dan niet als vanzelf alle inhoudsloze babbeltaal verstommen, als we zo dicht bij God mogen zijn? Er worden soms heel wat woorden gesproken, over van allerlei zaken die ons bezig kunnen houden. Soms ook woorden vol van gemoraliseer en getheoretiseer.

Zullen we ons maar eens gaan oefenen om te proberen Góds stem te verstaan als we naar de kerk komen? Dan ben je niet voor niets in de kerk geweest. In Gods huis horen we de boodschap van redding en bevrijding. En daarom verlangen we ernaar dat we de kerkdiensten kunnen hervatten.

Zullen we het dan maar met die dichter mee belijden, zoals we het lezen in het slot van Psalm 28? De Heer is de kracht van zijn volk, een burcht van redding voor zijn gezalfde. En het gebed overnemen: red het volk dat U toebehoort. Zegen hen. Wees hun herder en draag het voor eeuwig. Troostvolle woorden die we naar ons toe mogen halen!

Lied van de week: Gez. 292: 1, 2

Ds. H. Dekker.

 

Meditatie  2 november 2020                                                    Lezen: Psalm 45.

De Psalm die we deze week overdenken is een bruiloftslied. Maar deze bruiloft is geen alledaagse, zoals wij die kennen. Nee, het gaat hier over een koninklijke bruiloft. Dat denken wij al gauw terug aan de bruiloftsbeelden van koning Willem-Alexander en koningin Maxima. En vooral denk ik dan aan de tranen van Maxima, bij het horen van de tango uit haar vaderland. De Psalm kent twee coupletten. In het 1e wordt de schoonheid van de bruidegom bezongen (in de verzen 1-10) en het tweede couplet bezingt het geluk van zijn geliefde. Een bijzonder lied dus te midden van alle andere Psalmen. Iemand heeft eens gezegd: deze Psalm is net zoiets als het Hooglied. Ook een wonderlijk en vreemd Bijbelboek te midden van de andere Bijbelboeken. Ja, dat begrijp ik wel als je Hooglied en deze Psalm wilt lezen als een gewoon liefdeslied. Maar zo heeft de kerk der eeuwen deze Psalm en ook het Bijbelboek Hooglied nooit verstaan. Al in de vroege kerk werd deze Psalm gezien als een verwijzing naar Christus. En net als het Hooglied in die zin uitgelegd. Bruid en bruidegom staan dan in deze Psalm en ook in het Bijbelboek Hooglied voor God en mens. Mijn bezwaar tegen deze uitleg is dat je al snel de neiging hebt om de eigenlijke tekst niet meer serieus te nemen. En daarom zeg ik in eerste instantie: deze Psalm én het Bijbelboek Hooglied gaan wel degelijk over de liefde en alle moois dat je daarbij bedenken kunt, inclusief de lichamelijke verrukking van de liefde. Dat gezegd hebbende ga ik graag mee met grote uitleggers van de Bijbel als Calvijn en Kohlbrugge die deze Psalm (uitsluitend) gelezen hebben als Christologische Psalm. Dus als een heenwijzen naar Jezus Christus, de Koning der Koningen. Immers, Jezus wordt in het Nieuwe Testament meer dan eens de Bruidegom genoemd. En Hij zegt het ook van Zichzelf. Hij vergelijkt Zijn Koninkrijk met een bruiloftsmaal. En de bruid is Zijn gemeente. In liefde aan Hem verbonden. De rijkdom van de koninklijke bruidegom uit deze Psalm is dus niet de pracht en praal, de schitterende gewaden en paleizen. Nee, zijn allergrootste schat is de bruid. De rijkdom van de gemeente van Christus is dat ze door Hem gekend en bemind wordt. “Om haar als bruid te werven, kwam Hij ten hemel af, Hij was het, die door Zijn sterven, aan haar het leven gaf.”

Als dát geen feestvreugde is….!

Lied van de week: Gez. 460: 1, 4

Ds. H. Dekker.

 

Meditatie  26 oktober 2020                                              Lezen: Openbaring 6.

Het oordeel over deze wereld komt op gang zodra het Lam (Christus) de boekrol genomen heeft en het eerste zegel daarvan verbreekt. In de meditatie van vorige week hoorden wij over die boekrol. Ruiters zien we. Te beginnen met die witte ruiter die een zegekrans draagt. Zullen we niet al te veel gaan speculeren? Is Hij het niet die zal oordelen in gerechtigheid? Als het boek Gods zich gaat ontrollen in deze wereld trekt Hij aan het hoofd van de stoet. Overwinnende Overwinnaar! Vier paarden trekken aan onze ogen voorbij. Met nare gevolgen: oorlog, honger, dood en verderf. Maar laten we de voorste ruiter in het oog houden! Hij rijdt voorop. Zijn pijlen treffen diep, zoals eens bij Saulus die Paulus werd op weg naar Damascus (Hand. 9). Waarom? Omdat de overwinning bij voorbaat aan Hem is! De gang van het Evangelie wordt hoe dan ook een zegetocht. ‘Hij trok op om te overwinnen, de overwinning tegemoet,’ lezen we vandaag. Daarmee mogen wij overigens niet zomaar elke oorlog goed praten, als hij maar kan dienen om het Evangelie voortgang te laten hebben, of de gewetensvrijheid te beschermen. Ik zou in dit verband willen zeggen: Aandachtig lezen wat er staat is altijd heel belangrijk bij het Bijbellezen. Maar dat geldt zéker vandaag. In vs. 9 horen wij over het altaar. Om welk altaar gaat het hier? Je zou misschien denken: het hemelse altaar. Maar dan wordt de uitleg wel heel erg moeilijk. Want dan zouden ze in de hemel nog roepen om wraak over het vergoten bloed hier op aarde. Nee, dat is niet mogelijk. Laten we bedenken dat wat zich hier afspeelt bij het verbreken van de zegels op aarde geschiedt. We zien geen nieuw paard bij het verbreken van het vijfde zegel. Onze aandacht wordt getrokken naar hen die zijn aan de voet van het altaar. De gemeente van Christus op aarde dus, die dit alles niet aanschouwt vanuit een ivoren toren, maar er midden in staat! Ze maakt het mee, heeft er deel aan. En laten we niet doen alsof ons iets vreemds overkomt. Had Jezus niet gewaarschuwd? (Mat. 24).

Ds. H. Dekker.

Lied van de week: Gez.303: 1, 3, 4.

 

 

Meditatie 19 oktober 2020                   Lezen: Openbaring 4: 1, 2 en Openbaring 5: 1-14

Nadat wij gehoord hebben over de Afzender (hoofdstuk 1 ) en de geadresseerden (hoofdstuk 2 en 3) begint in hoofdstuk 4 de inhoud van de beloofde Openbaring van Jezus Christus. De eigenlijke strijd wordt ons hier nog niet getekend. Dat komt vanaf hoofdstuk 6. Maar eerst krijgt Johannes hier en in hoofdstuk 5 de achtergrond te zien van de grote en felle strijd tussen Christus en Satan. Een open deur ziet Johannes. Was in Gen. 3 de toegang versperd naar de levensboom (3: 24), hier is de deur ópen! Zei Jezus het niet: ‘Ik ben de deur’ (Joh. 10:9). En dat wordt hier bevestigd. Johannes mag het zien in een visioen. Is dat hetzelfde als een droom? Velen denken dat. Maar ik zou zeggen: het is méér dan dat. Het is een wakende toestand waarin het bewustzijn blijft functioneren. En in die staat van bewustzijn mag Johannes heel ongewone dingen zien en horen. Johannes mag een blik slaan in de hemel. Door die open deur naar binnen kijken. Gespannen blijft Johannes staren, want wat is er veel te zien in de hemel. Of moet ik zeggen: veel te lezen? Want Johannes ziet een boekrol. Notabene aan beide kanten beschreven. Zoals wij tegenwoordig dubbelzijdig kopiëren. Maar zoiets had Johannes nog nooit gezien. Een boekrol vól met de geschiedenis van de wereld, vól met Gods plannen. Maar wie mag die boekrol openen? Wie kan God het vertrouwen schenken? De mens, als heerser van de schepping misschien? Geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God! Ja…maar wat is daarvan terecht gekomen? De mens heeft het vertrouwen beschaamd. En nu? Ik lees in vers 3: ‘er was niemand…die de boekrol kon openen.’ Johannes moet ervan huilen. Tranen wellen op in zijn ogen. Niemand? Ja, toch…! Eén! En de huilende apostel Johannes wordt getroost door één van de oudsten die hij zien mag. Huil niet, Johannes, want zie: Hij is hier: Het Lam! Hij is waardig bevonden de boekrol te openen.

Ds. H. Dekker.

Lied van de week: Gez. 109: 1, 3

 

Meditatie  12 oktober 2020                              Lezen: Openbaring 2: 1-8

 

Na de inleiding in het eerste hoofdstuk volgen in het tweede en derde hoofdstuk van het Bijbelboek Openbaring de brieven aan de zeven gemeenten. Wat me allereerst opvalt is de aanhef van al deze brieven. ‘Schrijf aan de engel van …’ Wie is dat? Moeten we denken aan wat wij een beschermengel noemen? Maar ik kan nergens terugvinden in de Bijbel, dat God voor iedere gemeente een bijzondere bescherm–engel aangesteld heeft. Dat lijkt me volksgeloof dat niet Bijbels te funderen valt. Te denken valt hier dus aan degene die als hoofdopdracht heeft het onderricht aan de gemeente te geven. Niet dat ik bedoel te zeggen dat dominees engeltjes zijn, begrijpt u mij goed alstublieft. Maar het gaat hier om de bode van Christus, die de gemeente mag onderwijzen in de wegen van de HEER! Zodat hij/zij maar niet kan vertellen wat hem/haar invalt of te binnen schiet. Nee, hij/zij heeft een Goddelijke opdracht te vervullen als vertegenwoordiger van Jezus Christus.

De 1e brief is dan aan de gemeente in Smyrna. Dat was bepaald niet vanzelfsprekend dat  daar een gemeente van Christus was, want Smyrna was een rijke, welvarende stad. En ondanks die rijkdom zijn ze arm, lezen we in Openbaring 2. Dat heeft te maken met de scherpe vervolging van de christengemeente. Smyrna wordt voorbeeld van de lijdende kerk. Kerk onder een zwaar juk. Kerk in verdrukking, we kennen het tot in onze dagen toe. En wij hier in Nederland beseffen, nu wij in coronatijd leven en vele kerken opnieuw enige weken gesloten  zijn, wat een groot voorrecht het is als we iedere zondag in alle vrijheid naar de kerk kunnen gaan. Soms vraag ik me wel af: hoe lang nog? Maar als ik kijk naar andere landen in deze wereld besef ik maar al te goed: wat zijn we nog bevoorrecht boven vervolgde christenen in deze wereld. Heer, laat ze rijk mogen zijn in het geloof, bid ik dan. (zie Jak. 2:5). Zullen ook wij op de proef gesteld worden in de tijd die komt? Voor een korte, of misschien zelfs langere tijd? Laten we trouw blijven: achter Jezus aan.

Ds. H. Dekker.

Lied van de week: Gez. 441: 8, 12.

 

Lezen: Openbaring 1

Nu wij opnieuw middenin de corona crisis zitten na enkele maanden van betrekkelijke rust is het goed om ons te richten op het Koninkrijk. In alle gebeurtenissen van dit rampjaar 2020 zien wij de naderende voetstappen van Hem die is en was en komen zal. Onze Heer en Heiland. Hij komt terug op de wolken van de hemel, zegt de Bijbel, en elk oog zal Hem zien. Vanuit onszelf verlangen wij niet naar die wederkomst. Slechts de Heilige Geest kan ons dat verlangen leren. Zodat wij niet hechten aan de dingen die beneden zijn maar ons richten op wat boven is, niet wat op aarde is. (zie Kolossenzen 3: 2). Vandaar dat ik koos om in deze weekbrief het Bijbelboek Openbaring open te slaan. Maar als we ons willen bezighouden met dit laatste Bijbelboek, is het allereerst nodig om ons te realiseren dat we dit Bijbelboek niet kunnen beschouwen als een boek met toekomstvoorspellingen. Dat heeft in de kerkgeschiedenis al te veel geleid tot vruchteloze speculaties en dan ga je voorbij aan de eigenlijke bedoeling van dit Bijbelboek. Maar hoe dan? Wat kan dit Bijbelboek ons vandaag bieden als we het lezen en overdenken in dit jaar dat gestempeld wordt door de corona crisis? Ik hoop en bid: troost en bemoediging. En eveneens hoop ik dat we de oproep tot bekering en volharding die erin weerklinkt zullen horen. Dán kan dit Bijbelboek dat door zo velen als raadselachtig wordt gezien ook werkelijk een openbaring voor ons worden. En daar gaat het om. Laten we proberen te luisteren naar wat de Geest ons te zeggen heeft. Het is de apostel Johannes die dit Bijbelboek mag aankondigen als verkondiging van het Woord van God. Als getuigenis van Jezus Christus. De apostel die altijd zo dicht in de nabijheid van Jezus was en zichzelf de leerling noemt die Jezus liefhad, is in zwaar weer terecht gekomen. Hij is verbannen naar het eiland Patmos. ‘Ik, Johannes,’ zegt hij nu. Nooit noemde hij in het evangelie zijn eigen naam, zelfs niet na de opstanding (zie Joh. 20: 2), maar nu wél! Nu mogen de gemeenten voor wie hij schrijft weten dat hij het is die de openbaring ontving om dóór te geven. Er klinkt iets van verwondering in door: ik, Johannes… mag het aan jullie doorgeven. We horen, zou ik willen zeggen, de echo van Psalm 25: ‘’t Heilgeheim wordt aan zijn vrinden, naar zijn vreêverbond getoond.’ 

 

Ds. H. Dekker.

 

Lied van de week: Gez. 231: 3, 4.

 

 

MEDITATIE.          

                                                                                   Lezen: Psalm 43.

Deze Psalm is een gebed en wordt door de meeste uitleggers gezien als een voortzetting van Psalm 42. Dat zal ook komen omdat deze Psalm geen opschrift heeft en geen enkele aanwijzing over wie de dichter is. Dus mogen we er van uitgaan dat deze Psalm, net als de vorige en de volgende een lied van de Korachieten ( de tempelzangers) is.

Belangrijker dan dit te weten is de inhoud van dit gebed. Het wordt een heel persoonlijk gebed, alsof niet de tempelzangers maar een individuele dichter dit gebed uitgesproken heeft. `Verschaf mij recht, o God.` De vijanden omringen ons. Nu…ik zeg het nóg maar eens: er is niets nieuws onder de zon. Antisemitisme en discriminatie, geweld, terreur, ze schijnen niet uit te bannen te zijn in deze wereld. Wij leven in een bewogen tijd. Ook een tijd die gekenmerkt wordt door intolerantie naar een asielzoeker, anders denkende, anders geaarde, enzovoort. Het wij / zij gevoel wordt aangewakkerd door populistische partijen en helpt ons echt geen steek verder.

Laten we het voorbeeld van die Korachieten volgen, zou ik zeggen. En God aanroepen, voortdurend aanroepen. O God, verschaf recht op deze aarde. Bescherm ons te midden van de pandemie die over ons is gekomen en te midden van terreurdreiging en extremistisch geweld.

We hebben jaren achter ons liggen waarin gesproken werd over `de maakbare samenleving`. Hoe dom kun je zijn! Van harte hoop ik dat heel de Coronacrisis ons dát in ieder geval heeft geleerd!

De Psalmdichter bidt verder of God hem alsjeblieft in de waarheid wil leiden. Zend Uw licht en waarheid, Heer, laat die mij geleiden. Niet ons eigen zogenaamde verlichte verstand brengt ons verder. Mensen zijn soms verblindt door eigen gedachtengoed en/of ideologie. En onze eigen waarheid kan zomaar leiden tot fanatisme/extremisme en broederstrijd.

De Psalm heeft het over Góds licht en over Zijn waarheid. Door zó te bidden, stel je je onder Gods leiding. ´Wie zich door God alleen laat leiden, enkel van Hem zijn heil verwacht, weet Hem nabij, ook in de tijden die dreigend zwart zijn als de nacht´, zo dichtte Georg Neumark en ds. Sytze de Vries vertaalde het zo prachtig voor ons als Lied van troost en bemoediging: (Lied 905 uit het Nieuwe Liedboek).

Met andere woorden: wie bidt om Gods licht en waarheid, om Zijn leiding in ons leven, moet ook bereid zijn zich door Hem te laten leiden!

Ds. H. Dekker.

 

Lezen: Psalm 23.

De meest bekende psalm uit de Bijbel ligt voor ons. Kan een dominee daar ooit nog iets nieuws over zeggen? Vele malen is deze psalm berijmd. En als ik alle boeken en preken zou tellen die over deze psalm geschreven zijn, zou ik ongetwijfeld de tel kwijt raken. Deze psalm tekent het leven. Niet als een idyllisch plaatje van een zwervende herder met zijn schapen in Drenthe. Nee, wij moeten hier uiteraard aan het woestijnlandschap van het Midden-Oosten denken. Met een brandende zon boven je en de harde grond onder je voeten. De dichter laat ons zien dat het leven hier op aarde vaak zo heel anders is dan je je voorgesteld had. Nu, dat beseffen ook wij opeens met de corona crisis waar wij middenin zitten. Er zijn dalen. Soms heel diepe. Ze lopen dwars door je leven heen. Ze lopen nu dwars door het jaar 2020 heen, dat ongetwijfeld als een rampjaar de geschiedenisboeken ingaat. En waar blijf je dan? Waar ben je dan? Waar kun je terecht? Waar vind je houvast? Wie is je steun? Waar is kracht om verder te gaan? Nu, daar gaat het over in deze Psalm. Door David geschreven. Zelf jarenlang herder geweest. Maar ook schaap, zou ik willen zeggen. En herder die zichzelf leert zien als een schaap van de Goede Herder. Prachtig! Weet u: het is in de Bijbel niet de vraag óf God onze Herder wil zijn. Maar of wij schaap willen zijn. Afhankelijk en levend vol overgave. Mag Hij ons leven leiden? Achter Hem aan gaan, daar draait het om. Nee, de weiden zijn niet altijd groen in het leven. En we ervaren dat heel in het bijzonder toch in deze crisistijd. Toch zegt David: Hij laat mij rusten in groene weiden. Is dat voor ons als gemeente niet het volbrachte werk van Christus? Jezus heeft met Zijn doorboorde handen een weide gemaakt voor onze ziel. Daarom: nestel u maar stevig in Zijn liefde, want daar vindt u rust. Wat zal er omgaan in zo’n herder als hij de schapen vredig ziet uitrusten in het gras? Onze Grote en Goede Herder is blij als u bij Hem komt en rust bij Hem vindt! Zelfs als ik moet gaan door een dal van diepe duisternis, het dal van de schaduw van de dood. Dan nóg….Uw stok en Uw staf vertroosten mij, lees ik. Is het dat éne lied misschien dat u aansprak in een kerkdienst? Of dat ene zinnetje uit de preek? Hou het vast. Neem het mee. En hoor erin het tikken van de stok en staf van de Goede Herder die u roept tot een leven dicht bij Hem. En dan kunt u ook meezingen met het einde van deze psalm, dat spreekt over het thuiskomen van de schapen. Ik keer terug in het huis van de Heer, tot in lengte van dagen. Schapen van de Goede Herder mogen weten: we komen Thuis. En we hebben een Thuis. Streef dan naar wat Boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God. Richt u op wat Boven is, niet op wat op aarde is. (Kolossenzen 3: 1B, 2). Een mooie les in crisistijd, zou ik denken.                                                  

Ds. H. Dekker.

 

 

 

 

Meditatie.

                                                           Maar één van de soldaten stak een lans in Zijn zij
                                                           en meteen vloeide er bloed en water uit.

                                                                             Johannes 19: 34.

 

Middenin de lijdensweken treft ons allen een virus, waardoor het dagelijks leven ontwricht is en wij elkaar niet kunnen ontmoeten in de wekelijkse kerkdienst. En de omvang van dit gebeuren kunnen wij nog nauwelijks bevatten.

Maar als kerkgemeenschap zoeken we troost en kracht in het Evangelie. In deze weken laten we ons troosten door het lijden van Christus.

Johannes laat zijn blik gaan over de bijna verlaten heuveltop van Golgotha. De avondschemer valt. De mensen zijn weggegaan. De soldaten zijn inmiddels met hun werk begonnen. Ze moeten zeker weten dat Jezus gestorven is. En ze nemen geen halve maatregelen, getuige het tekstwoord hier boven.

U denkt misschien: waarom was dat nu nodig? Weten die soldaten wel met Wie ze bezig zijn?

Het is toch duidelijk dat Hij de zoon van God is, en dan nog Zijn hart doorsteken met een lans? Maar ook dát hoort bij het openen van Gods Vaderhart voor ons, om zó onze zonden voorgoed af te wassen.

Bloed en water, zegt Johannes. Nee, dat vergeet hij nooit. Hij zag het zelf. Ze zijn aanduidingen van een bepaalde werkelijkheid. En van het zekere weten dat Jezus niet schijndood geweest is.

Het bloed is de aanduiding van de verzoening. Zo alleen wilde God zijn genade tonen. Zonder bloedstorting geen vergeving. Zo had God het bepaald in het Oude Testament.

En wie het bloed plengde bij het brengen van de offers, moest ook zelf gereinigd zijn. Gereinigd met het water.

Water en bloed. In Christus krijgt dit alles een nog veel diepere betekenis. Krijgt het zijn vervulling.

Dit is zo beschreven door Johannes, opdat wij zouden weten dat hier de bloedstorting in de volle zin van het woord heeft plaatsgehad. In het bloed van deze Gekruisigde worden schulden vrijgesproken.

Nu zegt God tot allen die achter het bloed van de Heiland leerden schuilen in hun leven: u bent vrijgesproken op grond van het verzoeningswerk van mijn Zoon. Ik neem u aan zoals u bent. Vergeving en verlossing geef Ik u. Omdat Hij het verdiend heeft. De prijs is betaald.

Christus bloed spreekt schuldigen vrij. En zo krijgt ons leven doel, zin, inhoud en toekomstperspectief, in welke crisis wij dan ook verkeren.

Want met de lijdensweken en de Goede Vrijdag is het niet afgelopen. We gaan Pasen vieren. Jezus leeft. En we verwachten zijn wederkomst. “Hij komt, elks oog zal Hem dan zien, ook die Hem heeft doorsteken! (Gz. 231)

Ze zullen Hem zien. Iedereen. Dat is de blijdschap van Zijn gemeente, die hier op Hem wacht.

Jezus. De Man van smarten op de Goede Vrijdag. Maar ook: de Vorst van Pasen. Hij komt terug op de wolken.

Ja, halleluja, ja Hij komt!

Juicht, mensen, englen, samen.

Juicht met een vreugd, die ’t al verstomt,

Juicht allen! Amen, amen!

Ds. H. Dekker.

 

 

Meditatie.

                          Want ook de Mensenzoon is niet gekomen                                                                               om gediend te worden, maar om te dienen en
                           Zijn leven te geven als losgeld voor velen.

                                                                          Marcus 10: 45.

 

Twee trouwe leerlingen van Jezus vragen aan Hem, of ze straks ereplaatsen mogen hebben
in Zijn Koninkrijk. Ze willen zogezegd medezeggenschap hebben over het beleid van Zijn Koninkrijk.
Hij is Koning, ja dat erkennen ze wel. Maar zij als Zijn meest trouwe volgelingen dan toch wel graag minister president en vice minister president..
In alle koninkrijken van de wereld hebben machthebbers het voor het zeggen, zegt Jezus. Maar zo gaat het niet in het Koninkrijk . Daar gelden ándere wetten. “Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen.” (vs. 43).
En dan wijst Jezus op zichzelf. Hoe ook Hij gekomen is als dienaar. Om te dienen. Die drie woorden omvatten nu precies het héle leven van Jezus. Het dienen heeft Zijn hele leven hier op aarde bepaald.
Hij dient de mensen met Zijn liefde, met Zijn kracht, met Zijn wonderen, met Zijn troost. Weet u waar we dat vooral in zien? In Zijn ruimschootse uitdeling van schuldvergeving. Nooit doet iemand tevergééfs een beroep op Hem. Nooit zegt Jezus: nee hoor, u kan ik niet helpen. Of: uw zonden zijn te groot om vergeven te worden.
Nee, dat zult u nergens in de evangeliën aantreffen. Altijd is Hij met ontferming bewogen. Altijd bereid om u te dienen.
En wat toen gold, geldt ook nu. Nog is Hij dienend bezig. Door Zijn Woord en door Zijn Geest. Door middel van de verkondiging die u zondag aan zondag kunt horen wil hij u/jou/mij dienen. Iedere keer als u daarmee in aanraking komt, klinkt het u tegen: zie hier ben Ik; om u te dienen.
Christus diende! En dat blijft niet alleen beperkt tot Zijn leven hier op aarde. De tekst uit Marcus 10 wil er op wijzen, dat dit dienen verder ging dan Zijn leven alleen. Vooral het slot van vs. 45: “en Zijn leven te geven als losgeld voor velen.”
Ook Jezus sterven was dus dienen. Op Golgota vloeit Zijn bloed voor velen. Daar gaf hij Zijn leven.
Hoe? Als losgeld zegt de tekst voor deze meditatie. Bij dat woord losgeld moet u denken aan krijgsgevangenen die door de koning teruggekocht moesten worden van de vijand. En vaak betaalden vorsten daar véle, vele goudstukken voor om hun onderdanen los te kopen.
Maar de Heiland kocht ons niet vrij met Zijn portemonnee, als ik het zo zeggen mag.
Nee. De prijs was nog veel hóger. Het kostte hem Zijn bloed. De állerhoogste prijs wilde Hij voor ons betalen.
Voor velen, zegt de tekst. Dat is Gods welmenend aanbod dat uitgaat in deze wereld. Velen. Dat betekent dat we ons nooit behoeven af te vragen of die losprijs wel toereikend was voor ons. Nee. Die prijs was hoog genoeg voor mensen van álle tijden!

Ds. H. Dekker.

 

Toen zeiden de apostelen tegen de Heer:
“Geef ons meer geloof!”

Lucas 17:5

 

In ons gebed leggen wij God vaak veel vragen voor. Wie ziek is bidt om genezing. Wie het moeilijk heeft in het leven vraagt om uitkomst. Het gebed is ademhalen van de ziel, wordt wel eens gezegd. Met andere woorden: wie niet bidt haalt geen adem. Dan leef je niet echt…

De leerlingen van Jezus vragen Hem om meer geloof. Met die vraag zijn ze aan het juiste adres. Want wie anders kan ons geloof doen toenemen, dan Hij? Alleen bij Hem zijn woorden van eeuwig leven!

Hoe zijn die leerlingen van Jezus eigenlijk tot hun gebed gekomen? Ik denk, omdat ze ontdekt hadden, dat hun geloof maar klein was. En zo vragen ze dan gezamenlijk om méér! Ons, staat er in Lucas 17:5. Nu neem ik maar aan dat één van de leerlingen de woordvoerder is geweest. Maar hij doet dit gebed (verzoek) voor hen allemaal. Nee, geen Petrus die boven de anderen uit wil steken en zegt: meer geloof heb ik niet nodig, want ik heb al een groot geloof. Nee, niets daarvan. Laten wij hierin niet groot van onszelf denken, alstublieft.

De apostelen zullen best opgezien hebben tegen de taak die hen wacht in deze wereld. En straks zullen ze om de boodschap van het evangelie verdrukking lijden. Zal hun geloof dan tegen de moeiten en zorgen bestand zijn? Zullen zij vanwege vanwege hun kleine geloof het er dan niet bij laten zitten?

Ik denk: wij ervaren allemaal wel eens hoe moeilijk het is om staande te blijven in het geloof. Zeker nu wij leven in een tijd dat zovelen vervreemd raken van het evangelie.

Zouden wij dan ook niet bidden: “Geef ons meer geloof.!”

Toch moeten wij ons in het verband van Lucas 17 afvragen of dit verzoek van de apostelen juist was. Ja, op het eerste gezicht wel.

Maar zo is het niet. De vraag die de apostelen hier stellen is niet op zijn plaats.

Waarom dan niet?

Omdat de apostelen dachten dat de grootte of de hoeveelheid van het geloof belangrijk was. Als zij geen stand konden houden, dan zou dat aan de geringe mate liggen waarin God hen het geloof had geschonken. Maar daar komt Jezus tegen in het verweer, als Hij in het vervolg van Lucas 17 gaat vertellen over het geloof als een mosterdzaadje.

Daarmee wil Hij de apostelen leren dat ook een klein geloof tot grote dingen in staat is. Als zij maar al hun verwachtingen op Hem stellen.

Ook voor ons geldt dit. Het is tenslotte niet de vraag of wij een groot geloof of een klein geloof bezitten. De vraag is: hebben wij geloof?

Hebben wij lége handen die zich laten vullen door de genade van Christus? En zelfs een kruimeltje geloof – hoewel bij God veel méér te verkrijgen is – zal ons staande houden.

 

Ds. H. Dekker.

  

Geloven in de opstanding.

Met Pasen in de rug en op weg naar Pinksteren mag in de kerk de vraag klinken: welk houvast ligt er nu in het geloof dat er een opstanding uit de doden is? En vanuit de belijdenissen van de kerk mag het antwoord daarop zijn: de grens van de dood is niet absoluut, maar achter die grens ligt een nieuw land. God gaat voltooien wat onaf is gebleven. Met de Apostolische Geloofsbelijdenis zeggen we: ik geloof de wederopstanding van de doden. Dat betekent: er is hóop. God laat het werk van Zijn handen niet los. De Heidelberger Catechismus leert ons: mijn lichaam zal aan het verheerlijkt lichaam van Christus gelijk worden. Wat dat is, is haast niet in woorden uit te drukken. Een verheerlijkt lichaam. Daar zit het woord eer in. We zullen in ons lichaam weer de eer dragen die God heeft bedoeld met Zijn schepping. Een hart heeft dat lichaam. Maar dan een hart dat van énkel liefde klopt. En bij dat lichaam hoort een mond. Een mond die vooral Gods lof bezingt. Een mond waaruit geen wanklank meer voortkomt. Het is ook een lichaam waaruit álle sporen van lijden zijn weggewist. Ogen stralen helder, rimpels en groeven zijn weggestreken. Het kwaad, in welke vorm dan ook, is er definitief uit verwijderd.

Misschien klinkt het u allemaal als fantasie in de oren. En u denkt: hoe kun je dat geloven? Ik zal u eerlijk zeggen: ik heb er geen bewijzen voor. En wat ik zie op het kerkhof en in het crematorium weerspreekt mijn geloof. Maar is er dan niets van te zien voor ons mensen? Jawel, één ding, naar ik meen. En dat is dat éne open graf van de Paasmorgen. Het graf van Jezus. Dáárin ligt nu mijn geloof in de opstanding verankerd. De opstandingskracht van Christus breekt door alle grenzen heen. Zelfs door die absolute grens. Eens als de bazuinen klinken, zingt dat bekende lied ons voor, zal Christus de doden terughalen. En dan mogen we aan het verheerlijkt lichaam van Christus gelijk wezen. Kan ik dat begrijpen? Nee. Maar dát is nu gelóófswerkelijkheid. Nu komt het dus aan op geloof. Geloof alleen!

De dood is niet zo machtig, dat hij ons uit Christus hand kan rukken. Dan mag de troost zijn voor allen die worstelen met levensvragen rondom de dood. Ik geloof in die doorboorde Handen, die ons vasthouden. Voor eeuwig!

Ds. H. Dekker. 

 

 

Overdenking Lijdenstijd. 

                                                           Want ook de Mensenzoon is niet gekomen
                                                           om gediend te worden, maar om te dienen en
                                                           Zijn leven te geven als losgeld voor velen.
                                                                                               Marcus 10: 45.

 

Twee trouwe leerlingen van Jezus vragen aan Hem, of ze straks ereplaatsen mogen hebben
in Zijn Koninkrijk. Ze willen zogezegd medezeggenschap hebben over het beleid van Zijn Koninkrijk.

Hij is Koning, ja dat erkennen ze wel. Maar zij als Zijn meest trouwe volgelingen dan toch wel graag minister president en vice minister president..

In alle koninkrijken van de wereld hebben machthebbers het voor het zeggen, zegt Jezus. Maar zo gaat het niet in het Koninkrijk . Daar gelden ándere wetten. “Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen.” (vs. 43).

En dan wijst Jezus op zichzelf. Hoe ook Hij gekomen is als dienaar. Om te dienen. Die drie woorden omvatten nu precies het héle leven va