Meditatief

Onderstaand 2 overdenkingen.

Overdenking 1 op 5 juli 2026

Genesis 3: 1-7
Waarom is er toch zoveel kwaad in de wereld?
Wat is dat toch in ons dat moordt en liegt en steelt?
Wij doen dingen die ons in ons streven naar geluk juist in het ongeluk storten.
We veroorzaken het ene leed na het andere.
We vallen onszelf vaak zo tegen. Paulus schrijft: ik wil het goede doen maar ik doe vaak het kwade..
Hoe komt het kwaad in de wereld? Je wilt op de hoogte blijven van het nieuws maar het valt niet mee om de nieuwsberichten te horen, het journaal te zien. /het vreselijke verkeersongeluk met de kinderen die op schoolkamp gingen, bleef de hele week in mijn hoofd spelen…
We horen van brandende huizen, misbruikte kinderen, kapotgeschoten lichamen, racistische aanvallen.
Hoe is het mogelijk dat wij zulke dingen doen, terwijl wij schepselen van God zijn?
Genesis 3 is geen verhaal van lang geleden, iets uit de geschiedenis, maar een bijbelse waarheid die ons leert hoe mensen in elkaar steken en waar wij tegenaan lopen.

De mens is erger dan een roofdier – een dier rooft om te eten, wat de mens aanricht, met de moderne wapens en technologie in de 20e en 21e eeuw – dat ziet er heel anders uit..

 

Waar komt het kwaad vandaan?

Vaak wordt gezegd omdat de mens zich tegen God verzet. En dat is ook zo.Maar zo begint het niet!
We krijgen eerst een paradijselijk verhaal te horen. Adam, de mens, betekent die naam; en Eva, moeder van het leven, verblijven in een heerlijke tuin.
Ze hebben het goed met elkaar en met God: Hij wandelt in de hof in de “avondkoelte” lezen we.

Waardoor dan die breuk tussen de mens en zijn God?
De zonde van de mens is trots, hoogmoed horen we vaak. En dat is ook zo. Hoogmoed komt voor de val, de zondeval. Voortaan moet de mens onder de duim gehouden worden, met wetten en straf, maar dat helpt niet, de wereld wordt er niet anders van en de gestrafte mensen ook niet.

 

Als een mens ontevreden is, geen vrede heeft met zichzelf, dan gaat het mis, dan gaat hij zich misdragen..
Het zit dus van binnen niet goed.
Het was goed – wat is er gebeurd?

Genesis 3 vertelt van een slang – wat het voor wezen is dat kwaad is, dat kan praten, dat sluw is – dat is eveneens iets wat zich in ons mensen afspeelt.
De slang ontpopt zich als een gemene bedrieger, een valse stem.
Dit bijbelverhaal waarschuwt: Pas op, wij worden bedrogen, je loopt de kans misleid te worden!
Zoals we tegenwoordig worden gewaarschuwd voor valse agenten, nepmails, telefoontjes van de bank of zogenaamd van bekenden die in nood zitten en geld nodig hebben, zo lopen we als mens de kans om slachtoffer te worden,
het resultaat van een gemeen spel van het kwaad, een mysterieus spel waartegen wij niet zijn opgewassen.

Genesis 3 is een waarschuwing voor ons en een aansporing om onszelf de vraag te stellen: volgen wij het goede spoor of luisteren we naar een valse stem?

Wij zijn niet meer in het paradijs... Mens zijn is niet onbevangen en altijd vanzelf oké, nee we moeten keuzes maken, beslissingen nemen, nadenken over goed en kwaad…
“God heeft zeker gezegd dat…” de stem uit een valse beschuldiging tegen God en de mens begint te twijfelen: heeft God dat gezegd? We mogen toch van alle bomen eten alleen van die ene boom niet?
….waarom eigenlijk niet, dat is toch een enorme verleiding…
stel dat we dat wel doen, dan gaat alles mis..

maar is een mens wel sterk genoeg om tussen goed en kwaad het goede te kiezen?

Zo begint de twijfelt aan God. Kennen wij ook: als er een God is, waarom heeft Hij dan…waarom doet Hij dan of doet Hij dat niet…En als een mens twijfelt aan zijn God verliezen we alle veiligheid, leven we in angst.
Dan is God voor ons gevoel niet meer de schepper en de beschermer van het leven, maar een macht voor wie we bang moeten zijn.
Er is de angst dat wij niet sterk genoeg zijn om de verleiding te weerstaan en dus van alles verkeerd doen.
De mens luistert in z’n angst naar de stem van de sluwe slang en zo gaat het mis.
“Wat is dat nu voor een God die de mens een moeilijk verbod geeft en dreigt met straf …”
De slang had ook wat anders kunnen zeggen.
De slang had moeten zeggen: geniet toch van al het moois en goeds wat God je gegeven heeft, laat die ene boom voor wat-ie is!Maar opeens is die ene boom het meest aantrekkelijk van alles, en gebeurt wat nooit had moeten gebeuren – en zo gaat het steeds weer.
Het kwaad zit in de mens van binnen als een mogelijkheid bij de keuze tussen goed en kwaad.

****

Is de mens een weeffout of heeft de mens een weeffout?

Had God geen mensen kunnen maken die alleen goed zouden doen?

Weer een verwijt naar God toe.
De God die ons een paradijs heeft gegeven, wordt een vijand die ons het goede onthoudt door dat ene verbod.
En nu als mensen nu geboren worden, beginnen we als schepselen zonder Schepper en gaan we in de loop van ons leven op zoek naar onze afkomst.
Net als dat tv programma waarin mensen op zoek gaan naar hun biologische ouders.

Waartoe zijn wij op aarde?

Wat is de zin van alles, hoe vinden wij de weg?

Goed: dat is: gelukkig, vreugdevol, tevreden, vol hoop, vertrouwen, de moeite waard.

Kwaad is : wat pijnlijk is, pijnigend, droevig, wanhopig, onderdrukkend, uitzichtloos.

Een mens moet ontdekken dat heel het bestaan bij God vol geluk is en dat hetzelfde bestaan zonder God ten diepste ongelukkig is en leidt tot verschrikking en angst.
Het kwaad zit in de mens en straf helpt niet.
Elk mens die terecht wil komen moet leren de weg te vinden, terug naar de Vader, als de verloren zoon uit het evangelieverhaal.
Of je de aanwezigheid van God ervaart als zegen en troost en geborgenheid, of als angst en bedreiging – dat bepaal je zelf; van binnen.

En ondertussen staat God op de uitkijk.

God zoekt de mens. Hij komt naar de mensen toe, op zoek naar zijn schepsel, met die vraag: “Adam, waar ben je?” Waar sta je, wat heb je bereikt?

Steeds weer komt die vraag op in ons hart; we vragen het onszelf af.
Wie ben ik, wat is belangrijk, wat wil ik bereiken, ben ik gelukkig, ben ik goed bezig?
Het lijkt onze eigen vraag, maar het is in wezen God zelf die tot ons hart spreekt: Adam, mens waar ben je?En wat antwoordt Adam: ik ben naakt.
Voor God echter kun je je niet verbergen, niet anders voordoen dan je bent.
Je kunt wel vluchten, in grootspraak, in kwaad en macht en geweld en opstand en ongehoorzaamheid en wapens; je kunt wel zeggen: ik red me wel ik heb U niet nodig; je verschuilen achter maskers. Maar God ziet het hart aan en weet wat er in ons omgaat.

“Heb je gegeten van de boom van goed en kwaad?”

En dan komen de uitvluchten en de leugens…
‘ik was het niet’, ik heb er geen actieve herinneringen aan, ik weet het niet meer, ik was niet verantwoordelijk, wir haben es nicht gewusst…
En eigenlijk is het toch Gods eigen schuld, door die boom daar te planten….
Maar God is niet uit op straf en wraak.
Voortaan moet de mens strijden tegen het kwaad en zich inspannen voor het goede, maar God geeft de mens zijn zegen.
Het kwaad is sluw, je moet het vertrappen maar het valt je van achteren altijd weer aan. Dat is de vloek van het leven.

En de zegen? De zegen is te kúnnen leven uit goedheid en vertrouwen in een genadeloze wereld waar zoveel kwaads geschiedt, leven buiten het paradijs op weg naar het hemelse paradijs.

De zegen is: God zorgt voor je.
Hij maakt kleren voor de mens! Geeft ons bescherming en beschutting.
Hij zoekt ons hart.
In de profeten, in het volk Israël en in Jezus Christus komt Hij tot ons.
Hij strekt zijn hand uit en vraagt ons Hem te vertrouwen.
Door Christus worden de zonden vergeven en de angst verdreven en staan wij op tot een nieuw leven.

Liefde verdrijft de angst, schrijft Johannes.
Als wij de weg naar God gevonden hebben en we gaan de relatie met onze Schepper aan, dan zijn wij niet meer alleen. We krijgen te eten van de boom des levens.
Daarom is er in ons hart altijd een verlangen, naar zin, naar licht, naar eenheid, naar goedheid, naar de vreugde van het bestaan, naar innerlijke vrede.
Soms is het vermomd als begeerte, je wilt iets maar je weet niet wat.
Onrustig is ons hart tot het rust vindt in U, zei Augustinus.
Onze onrust wordt vervuld in God. Bij Hem komen we thuis aan het eind van onze levenslange pelgrims reis.
Daar is vrede.

Amen.

 

Overdenking 2 op 26 juli 2026

Thema: Ben ik mijn broeders hoeder?

Genesis 4:1-16
Gemeente van onze Heere Jezus Christus,
Waarom staat de ene mens op tegen de andere?

Die vraag is zo oud als de mensheid zelf. We zien het iedere dag om ons heen. Oorlogen die maar doorgaan. Volken die elkaar naar het leven staan. Familieruzies die generaties lang voortduren. Buren die elkaar niet meer groeten. Relaties die stuklopen. En de laatste jaren horen we steeds vaker een nieuw woord: femicide – de moord op vrouwen. Een nieuw woord voor een oud kwaad.

Hoe komt het toch dat mensen elkaar zoveel verdriet kunnen aandoen?

Die vraag brengt ons vanmorgen bij Genesis 4. De Bijbel vertelt ons over de eerste moord. Maar vergis u niet: dit is geen geschiedenisles over lang geleden. Dit hoofdstuk houdt ons een spiegel voor. Het gaat niet alleen over Kaïn. Het gaat over ons.
Misschien denkt u meteen aan de bekende vraag die bij dit hoofdstuk vaak gesteld wordt: Hoe kon Kaïn later trouwen? Er waren toch alleen Adam en Eva?
Het antwoord is eigenlijk eenvoudig. Genesis vertelt later dat Adam en Eva nog meer kinderen kregen. Maar belangrijker is iets anders. Adam betekent 'mens' en Eva 'de moeder van alle levenden'. Het verhaal van Kaïn en Abel gaat daarom niet alleen over de eerste mensen, maar over de mens zoals hij altijd is geweest.

Over mensen die moeten kiezen tussen goed en kwaad.

Over mensen die zich vergelijken met anderen.

Over mensen die jaloers worden.

Over mensen die luisteren naar de stem van de slang in plaats van naar de stem van God.

Daarom moeten wij dit verhaal niet op afstand houden. Het is te gemakkelijk om Kaïn alleen maar te veroordelen. De Bijbel vraagt ons niet: "Wat vindt u van Kaïn?" Maar: "Herkent u iets van Kaïn in uzelf?" Dat maakt dit hoofdstuk zo aangrijpend.

Eva krijgt haar eerste zoon. Vol vreugde zegt ze: "Met hulp van de HEERE heb ik een man verkregen." Daarom noemt zij hem Kaïn: aanwinst.
Wat een prachtig woord.
Na alles wat er in het paradijs gebeurd is, geeft God nieuw leven. Er is toekomst. Er is hoop. Ieder kind dat geboren wordt, is een geschenk van God. Kinderen nemen wij niet; kinderen ontvangen wij. Zij zijn geen bezit, maar een gave.

Muus Jacobse schreef eens: "Zolang God nog kinderen in ons midden zendt, heeft Hij Zich nog niet van ons afgewend."
Dat is een troostrijke gedachte. De Heere Jezus zette kinderen midden in de kring van Zijn discipelen. Laten wij dat ook blijven doen. Niet alleen onze eigen kinderen, maar alle kinderen door wie God toekomst geeft.

Daarna wordt een tweede zoon geboren: Abel.

Zijn naam betekent: adem, ademtocht, damp. Een naam die ons eraan herinnert hoe kwetsbaar het leven is. Mensen zijn als een ademtocht: even zichtbaar en dan weer verdwenen.

Kaïn wordt landbouwer. Abel wordt herder.

Twee verschillende beroepen. Twee verschillende karakters misschien ook. Maar daarin ligt het probleem niet. Mensen verschillen nu eenmaal van elkaar. De één werkt met zijn handen, de ander met zijn hoofd God geeft aan ieder zijn eigen gaven en zijn eigen taak.

Het conflict ontstaat ergens anders om.

Opvallend is hoe vaak in dit hoofdstuk één woord terugkomt. Broer.

Steeds weer klinkt dat woord. Broer.

Niet tegenstander. Niet concurrent. Niet vijand. Maar broer.

En juist dat maakt de zonde van Kaïn zo verschrikkelijk.

Beide broers brengen een offer aan de HEERE.

Waarom doen zij dat?
Niet om Gods liefde te verdienen. Niet om Hem gunstig te stemmen.
Een offer is een antwoord op ontvangen liefde. Zoals een kind zijn ouders niet eerst hoeft te overtuigen om van hem te houden, zo hoeven ook wij Gods liefde niet te verdienen. Wij zijn geliefd voordat wij iets hebben gedaan. Daarom brengen wij Hem onze dank, onze lof en onze gaven.

Zo hoort het te zijn. Maar zo gaat het niet.

De HEERE ziet naar Abel en zijn offer om, maar niet naar Kaïn en zijn offer.
Dat roept onmiddellijk vragen op. Is God dan willekeurig? Houdt Hij meer van de één dan van de ander?
Dat is precies wat Kaïn begint te denken. Hij voelt zich achtergesteld.
Hij beeldt zich in dat Hij minder is, een minderwaardigheidsgevoel maakt zich van hem meester.
Niet gezien. Niet geliefd. En misschien herkennen wij dat gevoel wel.
Je vergelijkt jezelf met een ander. Die lijkt succesvoller. Gelukkiger. Gezegender. En ongemerkt groeit er iets in je hart. Jaloezie.Niet de ander verandert Je eigen hart verandert.

Dat gebeurt ook bij Kaïn.

Hij had zich ook af kunnen vragen wat er mis was met zijn offer, zichzelf onderzoeken, zich verootmoedigen. Maar dat doet hij niet.|Zijn gezicht betrekt. Zijn blik wordt donker.

Maar let nu eens op wat God doet.
Nog vóórdat de moord gepleegd is, gaat God het gesprek aan.
"Waarom ben je zo kwaad?"
God ziet het donker in Kaïns hart. Hij weet welke kant het opgaat. En toch waarschuwt Hij hem.
"De zonde ligt op de loer. Ze wil jou in haar greep krijgen. Maar jij moet sterker zijn."
Wat een genade.Kaïn staat nog op een kruispunt. Hij kan nog terug. Hij kan nog luisteren.Hij kan nog tot inkeer komen en luisteren naar de stem van God in zijn hart.

En eigenlijk is dat ook de vraag die God vanmorgen aan ons stelt.

Waarom ben jij boos?

Waar komt die bitterheid vandaan?

Waarom doet het succes van een ander jou pijn?

Waarom kijk je met wantrouwen naar je broer of je zuster?

Want de grootste strijd wordt niet buiten ons gevoerd.

Die wordt gevoerd in ons eigen hart.

 

God doet vandaag precies hetzelfde met ons als met Kain: hij doet een beroep op ons geweten.
Voordat woorden harde woorden worden. Voordat gedachten daden worden.
Voordat boosheid omslaat in bitterheid. Voordat een relatie definitief stukloopt.
Daar spreekt God tot ons geweten: "Waarom ben je zo kwaad?"Helaas luistert Kaïn niet.Hij zegt tegen Abel: "Laten we het veld ingaan.Wat er onderweg gesproken is, vertelt de Bijbel niet. Als Kain oprecht was geweest, zijn frustratie had uitgesproken zonder het Abel te verwijten, waren ze er misschien wel uitgekomen samen, het waren tenslotte broers!

Misschien liep Abel nietsvermoedend naast zijn oudere broer.
En dan gebeurt het onvoorstelbare. Kaïn valt zijn broer aan en slaat hem dood.
Zo ver kan een mens komen wanneer hij de zonde in zijn hart laat groeien.
zonden beginnen zelden groot. Ze beginnen klein.
Met een vergelijking. Met jaloezie. Met gekwetste trots. Met het gevoel tekortgedaan te zijn.
En als ze niet worden beleden, groeien ze door.
Dan klinkt opnieuw Gods stem. "Waar is Abel, je broer?"
God weet het antwoord al. Zoals Hij Adam vroeg: "Waar ben je?"
Niet omdat God informatie nodig heeft. Maar omdat Hij de mens tot belijdenis wil brengen.
Ook nu geeft God Kaïn nog een kans. Maar Kaïn antwoordt hard. "Ik weet het niet."
Hij belijdt zijn zonde niet, hij ontkent het..
En dan die beroemde woorden: "Ben ik mijn broeders hoeder?"
Het is eigenlijk een onthutsende vraag. Want het antwoord is natuurlijk: ja.
Ja, jij bent verantwoordelijk voor je broer.
Niet voor zijn hele leven. Maar wel voor jouw liefde. Voor jouw zorg. Voor jouw woorden. Voor jouw houding.
Wij leven niet alleen voor onszelf. God heeft mensen aan elkaar gegeven.
In een gezin. In een huwelijk. In de gemeente. In een dorp. In een samenleving.
Wij mogen elkaar niet laten vallen.
Misschien hebben wij niemand vermoord.
Maar hoe gemakkelijk lopen wij aan elkaar voorbij.
Hoe gemakkelijk zeggen wij: dat is mijn verantwoordelijkheid niet.
Hoe gemakkelijk zien wij de eenzaamheid van een ander niet.
Of de schulden. Of het verdriet. Of de worsteling.

Ook dat is de vraag van Genesis 4: Ben ik mijn broeders hoeder?

En het antwoord van God is: Ja. Want liefde kijkt niet weg.
Liefde neemt verantwoordelijkheid.
God laat Kaïn niet los. Ook niet na de moord.
Hij vraagt "Wat heb je gedaan?"
En dan volgt een aangrijpende zin: "Het bloed van je broer roept uit de aarde naar Mij." In de Hebreeuwse tekst staat het in het meervoud: zoiets als “de bloeden”, het bloed van eeuwen moord en geweld.
Geen mens had de moord gezien. Niemand was erbij. Maar God wel.

Er is geen onrecht op aarde dat God ontgaat. Geen traan die Hij niet ziet. Geen slachtoffer dat door Hem vergeten wordt.

Kaïn moet de gevolgen van zijn daad dragen. Hij wordt een zwerver. De grond die hij bewerkte zal hem niet langer haar opbrengst geven. De man die zijn broer kwijt wilde, raakt uiteindelijk zichzelf kwijt.
Dat is altijd de weg van de zonde. De zonde belooft vrijheid.
Maar zij maakt een mens tot gevangene.
Ze breekt niet alleen de relatie met God af, maar ook met de ander en uiteindelijk met jezelf.
En toch…

Nu gebeurt er iets onverwachts.

Kaïn vreest dat anderen hem zullen doden.
Maar God geeft hem een teken. Het Kaïnsteken.
Door de eeuwen heen is daar veel over gespeculeerd. Maar de Bijbel zegt eenvoudig waarom God het gaf: "Opdat niemand die hem tegenkwam hem zou doodslaan."
Met andere woorden: God doorbreekt de spiraal van wraak.
Kaïn ontloopt zijn straf niet. God noemt het kwaad geen goed.
Maar zelfs de broedermoordenaar wordt niet overgeleverd aan blinde vergelding.
Niet omdat Kaïn zo berouwvol is. Maar omdat God zo goed is.
Dat is misschien wel het meest verrassende van dit hoofdstuk.
Dat de God Die Kaïn vraagt: "Waar is je broer?" Zelf de Hoeder wordt van de man die zijn broer niet wilde hoeden.
En daar begint het Evangelie al te glanzen.

Want eeuwen later komt er opnieuw een Broeder. De Heere Jezus Christus.
Ook Hij wordt door Zijn broeders verworpen. Ook Hij wordt buiten de stad gebracht.
Maar Hij slaat niet terug. Hij roept geen vloek over Zijn vijanden af.
Integendeel. Aan het kruis bidt Hij: "Vader, vergeef het hun."
Kaïn nam het leven van zijn broer. Christus geeft Zijn leven voor Zijn broeders.
Kaïn vroeg: "Ben ik mijn broeders hoeder?"
Jezus geeft het antwoord met Zijn hele leven: "Ja."
Ik ben de Goede Herder. Ik geef Mijn leven voor de schapen.
Dat is het verschil tussen Kaïn en Christus.
Kaïn kiest zichzelf. Christus kiest de ander.
Kaïn brengt de dood. Christus brengt het leven.
En wie aan Hem verbonden is, ontvangt vergeving.
Niet omdat wij beter zijn dan Kaïn.
Maar omdat Christus onze schuld heeft gedragen.

Wij herkennen misschien allemaal wel iets van Kaïn.
Jaloezie. Boosheid. Teleurstelling. Het gevoel niet gezien te worden.
De neiging om naar een ander te wijzen. Ons inbeelden dat God het met een ander beter voor heeft dan met ons, zonder zelf de hand in eigen boezem te steken en je af te vragen of je misschien zelf moet veranderen.
Maar wie eerlijk naar zijn eigen hart kijkt, ontdekt ook hoe groot Gods genade is.
Want ook wij hebben een teken ontvangen.
Bij onze doop heeft God Zijn Naam over ons uitgeroepen.
Niet als een bewijs dat wij zonder zonde zijn.
Maar als een belofte dat Zijn genade groter is dan onze schuld.
Daarom hoeven wij niet met onze schuld te blijven rondlopen.
Wij mogen haar belijden.
Want wie zijn zonden belijdt en nalaat, zal barmhartigheid verkrijgen.
Gemeente, laten wij daarom niet leven zoals Kaïn.
Laten wij niet wachten totdat jaloezie wortel schiet.
Laten wij elkaar niet vergelijken, maar elkaar dienen. En ons verheugen als het een ander goed gaat.
Laten wij oog hebben voor degene die zich alleen voelt.
Voor degene die worstelt met schuld.
Voor degene die denkt dat niemand hem ziet.
Want wie Christus kent, kan niet onverschillig blijven.
Dan wordt de vraag van Kaïn onze levensvraag:

Ben ik mijn broeders hoeder?

En dan antwoordt de gemeente van Christus:

Ja, want onze Heere is eerst onze Hoeder geworden.

Amen.

 

Dankgebed en voorbeden

Trouwe en barmhartige God,

Wij danken U dat wij vanmorgen Uw Woord mochten horen. Dank U dat U ons niet alleen de geschiedenis van Kaïn en Abel hebt verteld, maar ons daarin ook een spiegel hebt voorgehouden. U kent ons hart. U weet hoe gemakkelijk jaloezie, boosheid en hardheid daarin kunnen groeien. Maar wij danken U nog meer dat Uw genade groter is dan onze schuld.

 

Wij prijzen U om Uw Zoon, onze Heere Jezus Christus, de Goede Herder, Die Zijn leven gaf voor Zijn schapen. Dank U dat wij in Hem vergeving van zonden ontvangen en dat wij in Hem mogen weten dat wij gekend, geliefd en gezien zijn.

Heere, leer ons leven als broeders en zusters van elkaar. Bewaar ons voor harde woorden, voor onverschilligheid en voor het voorbijlopen aan mensen die U op onze weg brengt. Geef dat wij in onze gezinnen, in onze gemeente en in onze samenleving omzien naar elkaar.

 

Wij bidden U vandaag in het bijzonder voor allen die werken op het land en voor ondernemers die het moeilijk hebben. U weet van de onzekerheid waarmee velen leven, van zorgen over de toekomst, van hoge kosten en afnemend vertrouwen. Geef moed om vol te houden, wijsheid bij het nemen van beslissingen en mensen om hen heen die met hen meeleven. Wilt U overheden en allen die verantwoordelijkheid dragen de wil geven om recht te doen en oog te hebben voor hen die onder grote druk staan.

 

Wij bidden U voor gevangenen en allen die veroordeeld zijn. Bewaar hen ervoor verbitterd te raken. Geef dat zij mensen ontmoeten die hen blijven zien als mens, geschapen naar Uw beeld. Schenk berouw waar schuld is, troost waar verdriet is en uitzicht op een nieuw begin. Wij bidden ook voor allen die werkzaam zijn in gevangenissen, voor bewakers, geestelijk verzorgers en vrijwilligers. Geef hun geduld, bewogenheid en liefde.

 

Wij bidden U voor mensen die rondlopen met schuld en schuldgevoel. Sommigen dragen de gevolgen van verkeerde keuzes. Anderen blijven zichzelf verwijten maken,

ook waar U allang vergeving wilt schenken. Trek hen tot U. Geef de moed om schuld te belijden en de vreugde om uit Uw genade te leven.

Wij bidden U voor allen die zich niet gezien voelen. Mensen die zich eenzaam weten, die het gevoel hebben dat zij er niet toe doen, die zich voortdurend vergelijken met anderen of denken dat zij tekortschieten. Laat hen ontdekken dat U hen kent bij hun naam. Geef ook ons ogen om zulke mensen te zien en een open hart om naar hen om te zien.

Wij denken aan allen die ziek zijn, die rouwen om het verlies van iemand die zij liefhebben, die zorgen dragen die voor anderen verborgen blijven. Wees hun nabij en geef kracht voor iedere nieuwe dag.

Zegen ook onze gemeente. Geef dat wij werkelijk elkaars broeders en zusters hoeders mogen zijn. Bewaar ons bij Uw Woord en vervul ons met Uw Heilige Geest, zodat de liefde van Christus zichtbaar wordt in ons leven.

Verhoor ons, niet omdat wij dat verdienen, maar alleen om Jezus Christus, onze Heere.

Onze Vader, Die in de hemelen zijt...